Foto Simon Lenskens

Interview

‘Ik zeg niet dat topsport altijd gezond is’

Wat er op het bord ligt, zegt iets over hoe we in het leven staan. In deze aflevering: atleet Susan Krumins. „Als je alleen naar de cijfers kijkt, leer je niet wat je lichaam wil.”

In de keuken van Susan Krumins (34) hangt een bord. Tijdens de lockdown schreef ze daar elke dag op waarvoor ze dankbaar was. Andrew, haar man, op nummer één. Hardlopen natuurlijk. Sterke koffie. En al snel daarna: poffertjes met speculoos, karamel-zeezoutchocolade, versgebakken muffins.

Zonder corona hadden we hier niet gezeten, aan de keukentafel in Hilversum. Zonder corona zat ze nu in Tokio voor de Olympische Spelen, voor de tien kilometer. Daar heeft ze jaren naartoe gewerkt. Vorig jaar werd ze op die afstand nog zevende op de WK atletiek in Doha.

En ineens: niks meer. Een dag voordat ze naar New York zou vliegen voor de halve marathon, eind maart, ging alles op slot. „Daar zat ik dan, met m’n topvorm.” Toen is ze maar een beetje gaan bij-eten.

Ze zegt het lachend. Krumins is het type springveer. Onder haar crop top nog een stukje blote buik, plat en gespierd. Je kunt bijna niet geloven wat daar allemaal aan calorieën in gaat. Aan de andere kant: het is ook niet normaal wat er elke dag uitgaat. Een middellangeafstandsloper, zoals zij, is een soort energiecentrale. Er is nogal wat biomassa nodig om te verbranden. Tijdens een stevige training loopt ze bij elkaar wel een halve marathon. Zo’n 130 kilometer per week.

Tokio werd uitgesteld naar volgend jaar, maar haar dagen staan nog steeds in het teken van sport. En elke dag trainen betekent ook: elke dag goed eten.

Andrew Krumins, haar Australische echtgenoot, staat in de keuken. Hij maakt hamburgers met sla, tomaat, augurk en zijn ‘magic sauce’. Erbij zoete-aardappelfrietjes met appelciderazijn, Susans favoriete gerecht. „Best gezond toch?”, zegt Susan. „Salad on a bun!”

Een dag uit het leven van Susan Krumins-Kuijken: ontbijten met koffie en twee boterhammen met pindakaas, banaan, honing en kaneel. Trainen om tien uur, met tussendoor water of isotone sportdrank. Meteen na de training een eiwitshake. Dan lunchen. Brood met avocado en ei bijvoorbeeld, of als ze iets snels wil wat havermout. „Ik ben er niet dol op, maar het is makkelijk en het zijn goede koolhydraten.”

Dan een dutje tot een uur of twee. En daarna weer koffie en weer eten. Iets waar alles in zit: noedels met groente, een salade, brood of soep. Voor de tweede training, meestal krachttraining en een duurloop, eet ze nog wat, brood met hummus ofzo. Na de training weer een shake.

En dan nog de avondmaaltijd, die Andrew meestal maakt. De ene dag wat lichter, de andere wat zwaarder, afhankelijk van het programma voor de volgende dag. „Maar altijd veel kleur op het bord.” Groenten dus. „Als het Insta-worthy is, zit het met de groenten wel goed.” Ten slotte, vlak voor bedtijd om 10 uur, eet ze nog kwark – „niet zo lekker” – of een eiwitshake.

Dat dus allemaal op één dag. „Of eigenlijk twee. Als je twee keer slaapt, is het net alsof je twee dagen in 24 uur hebt.”

Eten, trainen, slapen. Eten, trainen, slapen. Structuur is alles. Structuur in de dagen, in weken en maanden. Ze weet naar welke wedstrijden ze toewerkt en dan kijkt ze wat nodig is om haar doelen te bereiken. Periodiseren, noemt ze het. Elk jaar verandert ze een paar keer van standplaats en bij elke fase traint ze iets harder en past ze haar voeding daarbij aan.

Foto Simon Lenskens
Foto Simon Lenskens
Foto’s Simon Lenskens

Van Australië, aan het begin van het jaar, naar Arizona op hoogtestage in het voorjaar en daarna naar Sankt Moritz om heel intensief te trainen. En steeds gaat ze dan iets uitgekiender, gezonder eten. Meer eiwitten, om te voorkomen dat ze spierweefsel verliest, en veel koolhydraten. „Kwalitatief hoogwaardige koolhydraten. Dus wel zoete aardappel, maar geen witbrood.”

De mantra bij al dat trainen is: brandstof en herstel. „Op het hoogtepunt, in Sankt Moritz, eet ik alleen nog maar gezond. Er zit daar een pizzeria, en daar eten we dan één keer. Op mijn verjaardag.”

Bagels

Sporten doet ze haar hele leven al. Turnen als klein meisje en vanaf haar twaalfde atletiek. Thuis was eten vooral gezellig. „Woensdag pizza, vrijdag friet en zomers barbecueën in de tuin.” Pas toen ze met een sportbeurs in de Verenigde Staten zat, leerde ze voor het eerst iets over voeding voor sporters. „Ze waren daar al bezig met eiwitten en hoe je die over de dag moet spreiden, dat was hier in 2006 nog niet gebruikelijk. Ik weet nog dat de sportdiëtist me meenam naar de supermarkt en de gangen liet zien met de lege calorieën: chips, snoep, koekjes, cola. Deze kun je voortaan overslaan, zei ze. Ik had tot dat moment geen idee. Ik dacht dat bagels ook prima waren.”

Lees ook een eerder interview met Susan Krumins: Mentaal sterker dan de Afrikaanse concurrenten. Nu nog sneller. (2018)

Topsport is finetunen. Details kunnen het verschil maken als elke honderdste van een seconde telt. Susan ziet ze ook: sporters die helemaal losgaan op data. Gewicht, spiermassa, vetpercentage, calorie-inname – je kunt alles meten, je kunt tot op de gram nauwkeurig je havermout doseren. Susan heeft niks met data, zegt ze. Ze is niet voor niets met bewegingswetenschappen gestopt en sociologie gaan studeren.

„Ik weeg mezelf niet, ik tel geen calorieën. Ik weet wat ik moet eten om geen honger te krijgen en ik weet dat ik niet al mijn eiwitten van de dag uit één grote biefstuk moet halen. Als je alleen maar naar de cijfers kijkt, leer je niet wat je lichaam wil. Je kunt jezelf ook gewoon afvragen: ben ik moe? Herstel ik niet goed? Dan doe ik kennelijk iets verkeerd. Je houdt het alleen vol als je niet het hele jaar streng voor jezelf bent – balans komt niet aan op één dag.”

De balans is precair, dat wel. Op het moment dat alles gericht is op een kampioenschap, vlak voor een wedstrijd, zoekt ze het randje op. Zo weinig mogelijk vet en zoveel mogelijk spieren. „Je hoort mij niet zeggen dat topsport altijd gezond is. Als je zo licht bent, is je weerstand ook minder.”

Gewicht vindt Susan niet belangrijk, zegt ze. Een kilo spieren is anders dan een kilo vet. Maar toch. Wat is zwaar? Wat is licht? Wat weegt ze nu? Ze weet het niet, het zal ergens tussen de 52 en 55 kilo zijn, nu eerder aan de bovenkant.

Obsessie

Eetstoornissen liggen in de sport op de loer. Er wordt weinig over gepraat, maar iedereen weet hoe dicht toewijding en obsessie bij elkaar liggen. Jonge meiden, die haar op Instagram volgen, willen alles weten over voeding, over gewicht, over bodygoals. Het schoonheidsideaal en het atletisch ideaal lijken elkaar alleen maar te versterken. „Ik antwoord dan altijd: ik heb geen bodygoals, ik heb alleen prestatiedoelen. Ik laat zien wat ik eet, óók hamburgers. En ik leg uit dat je na een training moet eten en geen groepen voedingsstoffen moet weglaten. Van hun ouders nemen ze dat vast minder snel aan dan van mij.”

Slechte voeding kan voor een topsporter veel verpesten, maar een amateur zal met sportvoeding nooit de wedstrijd winnen. „Je kunt wel gaan hardlopen met een riem vol sportdrankjes en gelletjes, maar als je niet gewoon gezond eet – genoeg groente, geen lege koolhydraten, goede vetten en eiwitten – heb je er niks aan. Supplementen zijn hooguit de kers op de taart. En die taart moet goed gebakken zijn. De basis van je voeding moet kloppen.”

Voor de wedstrijd eet ze nog steeds het liefst een boterham met pindakaas, banaan en honing, zegt ze. Ze stapt geen vliegtuig in zonder rijstwafels en pindakaas. „Dat is geen bijgeloof. Ik heb inmiddels uitgevonden wat werkt, voor een wedstrijd ga je niet experimenteren. En ik hou gewoon niet van sportvoeding, ik hou van normaal eten.”

Hoewel ze alles doet voor haar sport weet ze dat gezond eten alleen niet fit maakt. „Je hoofd moet goed zijn. Ik heb ook wedstrijden gewonnen toen ik zwaarder was. Als ik gelukkig ben loop ik het hardst.”