Recensie

Recensie Boeken

Waarom gingen sociaaldemocraten posities omarmen die haaks staan op de eigen politieke traditie?

PvdA Uit een onthutsend boek blijkt hoe de PvdA in de jaren tachtig en negentig meende te moeten meebewegen met het neoliberale tij.

Demissionair-premier Wim Kok luistert tijdens het debat in de Tweede Kamer n.a.v. de val van zijn Paarse kabinet.
Demissionair-premier Wim Kok luistert tijdens het debat in de Tweede Kamer n.a.v. de val van zijn Paarse kabinet. Foto ANP / Robin Utrecht

Op links is al enige tijd een ideologische kentering gaande. Wereldwijd groeit de ongelijkheid. Het coronavirus confronteert met de onzekerheden van een sterk geflexibiliseerde samenleving. De romance met marktwerking is op zijn retour. De roep om stevig overheidsoptreden is terug van weggeweest. ‘We komen uit een tijd waarin de markt het doel was, het individu de oplossing en de overheid het probleem’, schreef Lodewijk Asscher kortgeleden in een essay over de coronacrisis. ‘Het systeem van veertig jaar marktdenken is technisch failliet’ en ‘moreel ook’, concludeert de PvdA-leider onomwonden.

We hebben wel eens andere geluiden uit de mond van PvdA’ers gehoord. Wim Kok verklaarde juist het socialisme verbeurd in zijn beroemde Den Uyl-lezing over het afschudden van de ideologische veren. Rick van der Ploeg stelde dat de markt per definitie efficiënter opereert zonder ‘verstorend’ overheidsingrijpen, zoals huurbescherming en bindende cao’s. En Jeroen Dijsselbloem was dermate gecharmeerd van marktwerking, dat NRC-columnist Tom-Jan Meeus concludeerde: ‘Met zulke PvdA’ers heb je op den duur geen VVD’ers meer nodig’.

We bevinden ons duidelijk op een politiek kantelpunt. En dat zijn tevens momenten die uitnodigen tot terugblikken. Een dergelijke revisie biedt Dat hadden we nooit moeten doen van historicus Duco Hellema en parlementair journalist Margriet van Lith. De auteurs voeren ons terug naar de jaren negentig, naar het begin van de sociaaldemocratische omarming van het marktdenken. Waarom zijn sociaaldemocraten posities gaan omarmen die haaks staan op de eigen politieke traditie? Waarom gingen ze mee in het neoliberalisme, ofwel het bekende menu van liberalisering, deregulering, flexibilisering, privatisering en verzelfstandiging?

‘Met zulke PvdA’ers heb je op den duur geen VVD’ers meer nodig’

De auteurs hebben daartoe een indrukwekkende hoeveelheid rapporten en partijlectuur doorgespit en een dertigtal gesprekken gevoerd met toonaangevende PvdA-politici uit die tijd. Terugkijkend vinden veel van hen dat de sociaaldemocratie te weinig tegengas heeft geboden en zich te gemakkelijk heeft laten meevoeren op het neoliberale tij. ‘Politici zijn de butlers van de tijdgeest’, stelt voormalig partijvoorzitter Felix Rottenberg enigszins verontschuldigend.

Afhakende linkse stemmers

Een van de interessantste bevindingen uit het boek is dat Wim Kok er doelbewust voor heeft gekozen om intern debat over de liberalisering van de partijkoers zoveel mogelijk uit de weg te gaan. Kok was beducht voor interne conflicten en afhakende linkse stemmers. Toen hij in de jaren tachtig het stokje overnam van Joop den Uyl was het crisis: de werkloosheid was hoog en het financieringstekort eveneens. CDA en VVD voerden sinds 1982 een marktgericht beleid, om de overheid en de lonen in te perken en het bedrijfsleven ruimte te geven. Wilde de PvdA weer meeregeren, dan moest ze meebewegen.

Toen zocht links het midden, nu is rechts aan zet

Dat deed de partij dan ook en in de jaren negentig zou de PvdA ononderbroken regeren. Zonder daar veel rekenschap over af te leggen, verschoof de PvdA al regerenderwijs steeds verder op naar (neo-)liberale opvattingen. Een belangrijk deel van de linkse vakbondsachterban haakte af, en de partij ging zich meer op de middenklasse oriënteren.

Een andere onthutsende episode in het boek betreft de interne partijdemocratie. De marktgerichte vernieuwers zagen zich genoodzaakt ‘om de macht van het middenkader te breken’. Onder leiding van Felix Rottenberg werd de partijorganisatie opengebroken en de macht sterk gecentraliseerd rond de partijtop. Zo wisten de vernieuwers ook het oude partijkader af te schudden.

Ondertussen werd door Tony Blair en Bill Clinton met veel bombarie de Derde Weg gelanceerd, een internationale beweging die een middenweg voorstond tussen sociaaldemocratie en neoliberalisme. Zij zagen in Wim Kok en de PvdA een belangrijke inspiratie. Andersom waren veel PvdA’ers gecharmeerd van de Derde Weg. In Nederland werd dit gedachtegoed echter nimmer expliciet uitgedragen, omdat Kok geen behoefte had aan debat. Met als gevolg, zo constateert een partijlid en consultant, dat er ‘tot op de dag van vandaag veel te weinig bewustzijn [is] over wat er toen allemaal is gebeurd’.

Zo bezien is dit een belangrijk boek. De analyse heeft echter ook zijn tekortkomingen. De auteurs leggen nergens echt uit wat er in de jaren negentig precies misging met de traditionele sociaaldemocratie en haar keynesiaanse denken. De lezer krijgt daardoor nooit scherp welke hervormingen ingegeven waren door doorgeslagen marktideologie en welke door concrete noodzaak. Ook de terugkoppeling naar de huidige wederopleving van Keynes ontbreekt. Desalniettemin is het boek een welkome bijdrage aan het debat dat destijds zo vakkundig is gesmoord.