Recensie

Recensie

Een louteringstocht van 1014 kilometer langs de Britse kust: poepen in een weiland en niets dan noedels eten

Raynor Winn In twee succesvolle boeken beschrijft Raynor Winn hoe twee dakloze vijftigers zonder geld of vooruitzichten de noodzaak voelen om door te blijven lopen.

Raynor Winn in Cornwall met haar man Moth.
Raynor Winn in Cornwall met haar man Moth. Foto Jim Wileman / Guardian / Eyevine

Dat moment, ze beschrijft het heel achteloos, ‘dat we in Taunton uit de auto van een vriendin stapten en in de regen langs de kant van de weg achterbleven met onze rugzakken op het asfalt’. Die rugzakken zijn het enige dat ze nog bezitten. Voor ze ligt het South West Coast Path, een pad van 1014 kilometer langs de Britse zuidwestkust. Achter ze ligt hun leven, hun huis, hun werk, zijn gezondheid – alles weg.

Een verkeerde investering in de zaak van een vriend heeft tot de verkoop van huis en land geleid, waarmee ze hun geld verdienden. Ze zijn een eind in de vijftig. En bij hem is ook nog eens een degeneratieve en uiteindelijk dodelijke ziekte vastgesteld, corticobasale degeneratie, een zeldzame en slopende hersenaandoening.

Moth heet de man. Hij is de grote liefde, al meer dan dertig jaar, van Ray oftewel Raynor Winn, schrijfster van Het zoutpad. Het zoutpad, dat is dat kustpad. Omdat ze niets meer hebben en ook geen idee van wat ze nu met hun leven moeten doen, gaan ze het pad lopen, al is het de vraag of Moth dat wel zal kunnen. Hij heeft veel pijn en wordt zwakker.

Dus als ze daar staan, in de regen, met die rugzakken op het natte asfalt, dan is dat wat ze hebben: niets. Een aan zichzelf gestelde opdracht. Twee dakloze vijftigers zonder geld of vooruitzichten.

Hopeloze situatie

Het is een adembenemend uitgangspunt voor een boek, zeker als je weet dat het niet verzonnen is maar de werkelijke, hopeloze situatie. Winn beschrijft de tocht met allerlei plastische details: poepen in een weiland maar altijd komt er net een hondenuitlater; snakken naar een zak patat, die uiteindelijk kopen, ook al is er eigenlijk geen geld voor en dan snaait een meeuw hem uit haar handen; kleumend koud slapen, ’s ochtends stinkend weer opstaan, de natte tent opvouwen en verder lopen met niets dan noedels eten, naar daklozen kijken en weten dat je een van hen bent, ook al lijk je een wandelaar. Nee, ze zíjn wandelaars, dat is toch het grote verschil al zijn ze dakloos. Ze slapen in hun tentje op woeste plaatsen en ze zijn, dat is het punt, anders dan die daklozen op hun stukken karton, in de natuur.

Daar draait het hele boek om.

De uitputtende wandeltocht over een pad dat weliswaar langs toeristische plaatsen loopt maar toch voornamelijk door woeste natuur is in zekere zin een louteringstocht, uiteraard. De tocht wordt ondernomen om over iets heen te komen, en in de hoop dat zich een idee zal aandienen. Dat gebeurt ook: Moth zal gaan studeren met een studiebeurs. En wat wonderbaarlijker is: Moth, tegen wie de dokter gezegd heeft: ‘span u niet te veel in, ga geen trappen lopen’ enz. knapt op tijdens het wandelen – maar helaas wordt hij weer zwakker en strammer als de winter komt.

Raynor Winn laat de natuur voelen zonder die maar enigszins te romantiseren

Het zoutpad was een overweldigend succes, niet alleen in Engeland. Het tweede boek van Raynor Winn De wilde stilte, vertelt over hoe het verder ging en hoe Het zoutpad ontstond. Het eerste boek wordt voortgestuwd door de tocht, door de noodzaak en de wanhoop van dit alles, en dat de dialogen nogal stijfjes zijn weergegeven, ach. Daar staan veel roepende zeehonden, striemende regenbuien, stomende sokken en zonsopgangen tegenover. Die zijn beeldend en met overtuiging beschreven, dat kan ze, Raynor Winn. Ze is geen vreemdeling in het landschap en ze laat de natuur voelen zonder die ook maar enigszins te romantiseren.

Lees ook: 49 goede boeken om deze zomer te lezen

Zwakheden

In De wilde stilte vallen de zwakheden van haar schrijven wat meer op – de trage verteltrant met de vele herhalingen werkt prima om een lezer te laten beleven hoe lang zo’n wandelpad is en hoe er elke dag weer gelopen moet worden, maar minder als het gaat om het gevoel van opgeslotenheid, of om de zorgen, hoe begrijpelijk ook, over haar man en toekomst. ‘Ons pad, onze grootse wandeltocht, gleed van hem weg. Hou het vast, Moth, hou het stevig vast; het is van ons, ons heldere licht in de chaos van ons leven. Laat het niet los; het was van ons, ons geschenk van de tijd en de natuur.’

Waar de vertelster in het eerste boek vooral flink en, hoewel soms wanhopig, dapper was, is ze in het tweede boek veel meer een angsthaas geworden, ook tot haar eigen schrik trouwens. De natuurpoëzie die tussen de hoofdstukken door staat, is tenenkrommend.

Dat neemt niet weg dat Winn overtuigend laat zien hoe leven op aarde eraan toe gaat, in het groot en het klein, en hoe nieuw leven ontstaat. Het is enerzijds een kwestie van grote oerkrachten, anderzijds van menselijk hard werken, er is veel stank, regen, muizenpoep en verlies, maar in de overgave aan de natuur wordt iets sterkers gevonden: een gevoel van thuiszijn wat er ook gebeurt. Winn komt tot een inzicht waar ze mee kan leven, en zij niet alleen: ‘Niets kan worden gemeten in tijd, er is alleen verandering.’