Voor het eerst meer duurzame stroom dan fossiele stroom in Europa

Energie In de Europese Unie steeg de duurzame stroomproductie afgelopen half jaar met 11 procent. De stroomopwekking via fossiele brandstoffen daalde juist met 18 procent.

Windmolens bij windpark Slufterdam.
Windmolens bij windpark Slufterdam. Foto Bas Czerwinski / ANP

Voor het eerst is binnen de Europese Unie meer duurzame dan fossiele stroom opgewekt. In de eerste zes maanden zorgden wind, zon, waterkracht en biomassa voor 40 procent van de gebruikte stroom. Via fossiele brandstoffen, zoals kolen en gas, werd 34 procent van de stroom opgewekt. De rest van de elektriciteit kwam van kerncentrales in Europa.

Volgens de energiedenktank Ember, die deze gegevens woensdag bekendmaakte, steeg de duurzame stroomproductie in de eerste jaarhelft met 11 procent in vergelijking met 2019. Zon en wind waren samen goed voor een bijdrage van gemiddeld 21 procent in de 27 EU-landen. In Denemarken (64 procent) en Duitsland (42) zijn zon en wind nog veel belangrijker in de stroomvoorziening. Het aandeel van waterkracht bedroeg 13 procent en bij biomassa, bijvoorbeeld via houtstook, ging het om 6 procent.

Lees ook: De SER is kritisch over biomassa als energiebron

De stroomopwekking via fossiele brandstoffen daalde in dezelfde periode met 18 procent. Opvallend is de rol van steenkolen, waarvan de productie in Europa met maar liefst 32 procent daalde. Het gebruik van gas daalde gemiddeld met 6 procent.

Nadeel van het hogere aandeel van duurzame elektriciteit zijn de grotere prijsschommelingen in de groothandelsprijzen, constateert Ember. Productie van wind- en zonnestroom is minder makkelijk te voorspellen en te regelen dan de productie in een gascentrale. Zo kende Ierland 5 procent van de tijd negatieve prijzen, omdat het aanbod van stroom tijdelijk groter was dan de vraag.

Voor het eerst kende Nederland dit jaar ook negatieve stroomprijzen, waarbij bedrijven worden betaald voor het afnemen van stroom. Van grote problemen in de stroomvoorziening was overigens geen sprake.

Minder stroomvraag door corona

Door de stijging van het duurzame aandeel daalde de CO2-uitstoot van de Europese energieproducenten met 23 procent. De verminderde vraag naar stroom (7 procent), als gevolg van de coronapandemie dit jaar, speelde de verduurzaming in de kaart. Gas- en kolencentrales hoefden door de lagere vraag minder vaak bij te springen. Ook de gunstige weersomstandigheden – relatief veel zon en wind en milde temperaturen – speelden mee.

Inmiddels zorgen steenkolen, die tweemaal zoveel CO2 uitstoten als aardgas, voor 12 procent van de Europese stroom en dat is een halvering ten opzichte van 2016. In alle landen daalde het gebruik van kolen, ook in Polen (daling van 12 procent) waar het gebruik het hoogst is. Duitsland verstookte 32 procent minder kolen en daardoor droeg het de Europese koppositie aan Polen over.

Tot lagere prijzen leidde de kolenstroom niet. Na Griekenland zijn de stroomprijzen in Polen het hoogst binnen de EU. De Poolse tarieven liggen volgens Ember 73 procent hoger dan de Duitse. Vooral de CO2-prijzen spelen daarin een rol. In twee jaar tijd is de prijs van deze emissierechten verzesvoudigd tot bijna 30 euro op dit moment.

Nederland komt naar verwachting dit jaar uit op een aandeel van 25 procent hernieuwbare stroom. Volgens het vorig jaar gesloten klimaatakkoord moet dat aandeel in 2030 70 procent zijn.