Reportage

Kan het niet wat spannender, in die nationale parken?

Natuur Nationale parken hebben een dof imago en moeten veranderen, vinden allerlei partijen. Maar hoe? Op pad met drie deskundigen langs de Drentsche Aa. „Hoe bereik je een groter publiek met deze schatkamer? Met een betere bereikbaarheid. Andere voorzieningen. Avontuur.”

Foto Eric Brinkhorst

Wat bezoekers van nationale parken mooi en ontroerend vinden, is vaak de variatie van het landschap. „Wat dat betreft zitten we hier goed”, zegt voorzitter Jaap Verhulst, van Nationaal Park Drentsche Aa. Hij fietst door een afwisselend landschap met hunebedden en grafheuvels, hei en bos, hooilanden en bosbeken, uitgestrekte akkers, middeleeuwse kerken en kneuterige hotelletjes, en voormalige gemeenschappelijke akkers, de essen. Het gebied is „intiem, herbergzaam en authentiek”, stelt Verhulst, en dat waarderen bezoekers.

„De moderne tijd is hier achter de coulissen verdwenen”, zegt hoogleraar landschapsarchitectuur aan de TU Delft Eric Luiten, eveneens op de fiets. „Dit gebied trekt mensen aan die op zoek zijn naar een acute terug-in-de-tijdervaring.”

Het gebied behoort sinds 2002 tot de 21 nationale parken en geldt als een van de mooiste landschappen van Nederland. Logisch, vindt ook Hendrik Oosterveld, voorzitter van het samenwerkingsverband Nationale Parken. „Dit gebied is een mix van natuur, cultuur en historie. Het heeft een sterke identiteit. Die is voelbaar.”

Ook landbouw en toerisme

Hier in Drenthe is een beetje te zien wat de nationale parken in de rest van Nederland zouden moeten worden: grotere landschappen, waar waardevolle natuur voorop staat, maar waar ook plaats is voor landbouw, economie en toerisme. De nationale parken, die nu een wat dof imago hebben, werken aan een ‘herijking’. Onlangs is een commissie ingesteld door de maatschappelijke partners van de parken zoals terreinbeheerders, ANWB en de recreatiesector, onder voorzitterschap van Eric Luiten, die moet adviseren over verbetering van de parken.

Het Planbureau voor de Leefomgeving pleitte er eind vorig jaar voor om de nationale parken meer ruimte te geven. „De huidige nationale parken zijn beperkt van omvang en daardoor kwetsbaar”, schreven de onderzoekers in het rapport Zorg voor landschap. De natuur is gevoelig voor stikstof en andere milieubelasting. Aan de parken zou een „robuuste schil” moeten worden toegevoegd, de omgeving van die parken moet natuurvriendelijker worden. Zo roep je ook de oprukkende ‘verdozing’ rond deze gebieden een halt toe.

Lees ook: het landschap is nog te redden

De Tweede Kamer sprak zich al eerder uit voor een herwaardering van de nationale parken, er is extra geld beschikbaar. Ook in de Nationale Omgevingsvisie, een toekomstperspectief van het kabinet, wordt nationale parken een belangrijke functie toebedeeld bij het behoud van het landelijk gebied. De ‘parels’ moeten worden opgepoetst en uitgestald.

En nee, het is echt niet de bedoeling om bijvoorbeeld in Nationaal Park Drentsche Aa grote windmolens te plaatsen of nieuwe intensieve veehouderij mogelijk te maken, stelt Oosterveld. „Dit gebied is een voorloper van wat in de toekomst met andere parken kan gebeuren.” Maar er is meer mogelijk, zegt Oosterveld. „Je moet meebewegen met de wensen van de maatschappij. Neem de beken hier. Die zijn ‘gaaf’ gebleven. Maar ze dienen ook om water vast te houden. Dat draagt bij aan klimaatadaptatie. De kunst is veranderingen door te voeren in de geest van de identiteit van het gebied.”

Nabij urnenveld Anloo ligt hunebed D11. Foto Eric Brinkhorst

Vijfsterrenlodge

Nationaal Park Drentsche Aa

De fietsers passeren een grote kuil, waarin tijdens de Tweede Wereldoorlog een tank stond die over het gehele gebied vrij heen kon schieten. Inmiddels is het schootsveld volledig dichtgegroeid. Elders zijn open akkers met aardappelen, uien en graan; voormalige heidevelden die zijn ontgonnen na de komst van de kunstmest. Toch zegt Verhulst dat „de gaafheid” dit gebied het meest typeert. „Wat bedoel je eigenlijk met gaafheid, als er zo veel is veranderd?” vraagt Luiten, voormalig rijksadviseur voor landschap en water en voorzitter van de nieuwe adviescommissie. Verhulst: „Onder gaafheid versta ik dat je hier nog steeds de ruimte kunt beleven; de intimiteiten van de beekdalen en hooilanden. Het watersysteem met de beken en de ruimte op hogere gronden is volledig intact gebleven. Dit is een van de weinige gebieden in Nederland waar je kunt lopen zonder een industrieterrein of een lelijke buitenwijk of een snelweg tegen te komen. De idylle is hier niet verstoord.”

Akkoord, maar schoonheid alleen is niet voldoende, vindt Luiten. De gebieden moeten „toegankelijker” worden. Waar is, vraagt hij zich af, het bord langs de snelweg dat aangeeft dat je af kunt slaan naar dit nationaal park? Waarom bereikt deze natuur niet een veel groter publiek? Er zouden veel meer wandelpaden moeten worden aangelegd, stelt hij. „Je zou arrangementen kunnen aanbieden, met overnachtingen.”

De mannen passeren een pannenkoekenhuis waar het druk is. Luiten: „Waarom kun je hier alleen maar pannenkoeken eten? Waar staat hier een vijfsterrenlodge voor mensen die dat kunnen betalen?”

De tocht voert langs akkers en weilanden, want 60 procent van de grond is hier in handen van boeren. Langs maïsvelden en aardappelen. Luiten: „Wat je zou moeten zeggen is: dit zijn niet zomaar aardappelen, dit zijn Drentsche Aa-aardappelen, die smaken lekkerder.” Verhulst: „Je kunt je onderscheiden door een goed product. Of door aan kringlooplandbouw te doen. Want dat kan hier natuurlijk heel goed.”

Luiten: „Je zou van de parken plattelandslaboratoria kunnen maken.” Daar kan volgens hem „de landbouw van de toekomst” worden uitgevonden. Oosterveld: „Ik ben het daar niet mee eens. Kringlooplandbouw past zeker goed bij de uitgangspunten van nationale parken. Maar ik hou niet van zulke slogans. Daar help je de discussie niet verder mee. We moeten niks afkondigen. We moeten een visie hebben, op de kringlooplandbouw en natuur, en daar samen aan werken, vooral met de mensen in het gebied zelf.”

Lees ook dit opiniestuk van Eric Luiten e.a.: Herstel veerkracht van de delta eist visie van Rutte

Grotere parken

De mannen fietsen langs talloze beken en beekjes die afstromen in het dal van de Drentsche Aa, omzoomd door bloemrijke hooilanden. Ze wandelen langs het Anloërdiepje. Tientallen zwarte wegslakken ontwijkend bewonderen ze het water van de bosbeek, die ondanks een dramatisch lage grondwaterstand nog vriendelijk kabbelt.

Adviseur Luiten behoort in de discussie over het versterken van de nationale parken tot de rekkelijken, zo veel is nu wel duidelijk. Luiten: „Ik ben geïnteresseerd in grote, samenhangende systemen.” Grotere parken, derhalve. Maar je kunt een nationaal park als Schiermonnikoog toch niet groter maken? Luiten: „Nou, het is interessant om te bedenken dat het park ook Vlieland en delen van Terschelling en Ameland zou moeten omvatten.” Zodat in grotere gebieden rekening moet worden gehouden met de natuur, en er bijvoorbeeld niet zomaar mag worden gebouwd of bedrijven worden gevestigd. Wordt half Nederland dan een nationaal park? „Helemaal niet”, zegt hij. „Want zodra je natuurlijke systemen verbindt, kun je met een geruster hart de hoogintensieve gebieden met rust laten.” Door hier en daar grote natuurgebieden te creëren, kan er elders gebouwd worden.

Ze pauzeren bij een verhoging in het landschap, met een weids uitzicht zonder ook maar één gebouw. Daarna wordt er stevig doorgefietst. Hoe komt het eigenlijk dat de Drentsche Aa zo „gaaf” is gebleven? Waarom lijkt de verstedelijking en de intensivering van de landbouw aan dit gebied voorbij te zijn gegaan? Waarom liggen veel boerderijen hier nog schots en scheef aan de rand van de dorpen, in plaats van midden op het in productie genomen buitengebied? „Er is altijd het besef geweest dat hier iets bijzonders ligt”, stelt Jaap Verhulst.

Hij memoreert de grote ruilverkavelingen uit de jaren vijftig, zestig en zeventig. „Daar kwam hier veel verzet tegen.” De naam Harry de Vroome valt, een landschapsarchitect, overleden in 2001, die zich verdienstelijk heeft gemaakt voor het behoud van dit typerende esdorpenlandschap. Oosterveld: „De houding van zulke mensen, in een tijd dat het voor de hand lag om te kiezen voor grootschalige landbouw, is cruciaal. Daarom is het van belang dat zulke gebieden op de kaart blijven staan.”

Ze fietsen langs de boerderij van Evert Musch, overleden in 2007, de schilder uit Anloo die zich „helemaal suf heeft geschilderd” in gebieden die hij mooi vond en daarmee heeft bijgedragen aan het besef dat dit landschap niet verloren mag gaan, stelt Verhulst. „Hij maakte deel uit van een beweging die ervoor heeft gezorgd dat hier een aantal dingen niet zijn gebeurd.”

Bij alle plannen is wel van belang dat het bestuur van nationale parken meer „invloed” krijgt, waarschuwen de mannen. Jaap Verhulst: „Dit gebied valt waterstaatkundig onder beheer van een waterschap. Daar moeten wij invloed op hebben, net zoals op het beleid van gemeenten. Laatst zijn hier dode bomen gekapt langs eeuwenoude lanen zonder dat de gemeente nieuwe bomen heeft geplant. Dat zou wel moeten. Als gemeenten en boeren binnen dit park hetzelfde handelen als daarbuiten, krijg je geen meerwaarde.” Oosterveld: „Je moet elkaar houden aan de afspraken.”

Reservaat

Aankomst bij de pittoreske woning van voorzitter Jaap Verhulst van het nationaal park. Laatste vraag: wat is de grootste bedreiging voor de parken? Eric Luiten steekt van wal. „Sluiten de parken en hun bedoelingen aan bij de samenleving? Dat vind ik een zorg. Het woord reservaat is uit het vocabulaire geschrapt. Maar ik denk dat veel mensen toch nog steeds die associatie hebben bij een nationaal park. Een reservaat sluit niet aan bij de eerste behoeften van stedelingen. Hoe bereik je een groter publiek met deze schatkamer? Met een betere bereikbaarheid. Andere voorzieningen. Met avontuur.” Worden het dan geen pretparken? Veranderingen mogen, maar behoud van kwaliteit moet voorop staan, werpt Verhulst tegen. „Anders is het alleen marketing, daar prikken mensen doorheen. Hier zit het met die kwaliteit wel goed. Maar elders?”

Lees ook: Hoe je in een druk natuurgebied toch de rust kunt vinden

De plannen voor parken ‘nieuwe stijl’ wijken nogal af van het traditionele beeld. Wat bijvoorbeeld te denken van het Van Gogh Nationaal Park in Brabant, waarin natuur én regionale economie vanaf september hand in hand moeten gaan? Luiten: „Er komt een groot gebied, waar ook steden als Tilburg, Den Bosch en Eindhoven aan willen meedoen. Daar loopt een spannende discussie over een vraag naar identiteit die met ‘Van Gogh’ nu een antwoord heeft gekregen. Van Gogh heeft daar gewerkt en gewoond, gewandeld en geschilderd.”

Oosterveld heeft twijfels: „Maken die steden dan straks deel uit van het nationaal park? Je moet wel geloofwaardig zijn, ook internationaal. In mijn opvatting past dat niet zo direct.” Luiten: „Het gaat om de interpretatie van het begrip nationaal park.” Verhulst: „Er zullen daar flinke investeringen moeten worden gedaan. Als daar zoals nu bio-industrie zit die heel nadelig is voor de natuur, dan zul je die bedrijven moeten veranderen.”

Luiten ziet het probleem niet: „Stel dat het je lukt om tegen die bedrijven te zeggen: draai eens negentig graden naar de bedoelingen van het nationaal park? Je kunt ook zeggen: we nemen het industrieterrein mee, en we zorgen dat het een terrein wordt dat een nationaal park waardig is.”