Recensie

Recensie Beeldende kunst

De liefde voor folklore en volkskunst is een doos van Pandora

Expositie Kunstenaars hebben om verschillende redenen van folklore gehouden. Modernisten zagen er een universele beeldtaal in, blijkt op een expositie in Metz.

Paul Sérusier, La guirlande de roses, 1898.
Paul Sérusier, La guirlande de roses, 1898. Genève, Musée du Petit Palais

De tentoonstelling Folklore opent met een ode aan de houten klomp. Bretonse klompen, beschilderde klompen, kinderklompen, uitgestald in vitrines en met draadjes hangend van het plafond. De beeldhouwer Brancusi draagt klompen, leunend tegen zijn beroemde Eindeloze Zuil bij het Roemeense stadje Tirgu Jiu. De postimpressionistische schilder Paul Sérusier poseert, cider drinkend, in Bretons kostuum met klompen. Op schilderijen en tekeningen van negentiende-eeuwse kunstenaars springen ineens overal klompen in het oog.

„Ik houd van Bretagne, ik vind er het wilde, het primitieve. Wanneer mijn klompen echoën op de granieten bodem hoor ik het doffe, zware en machtige geluid dat ik zoek in de schilderkunst”, schreef Paul Gauguin in 1888 aan de bevriende schilder Émile Schuffenecker. De klomp is de belichaming van het verlangen naar een authentiek leven op het platteland, ver van het hectische bestaan in de grote stad. Gekleed in korte broek met bretels en met een sigarettenpijpje in de mond spit Kandinsky zijn moestuin om.

Natalia Gontsjarova, Espagnole, 1916-1919. Adagp

De Franse kunstenaarsgroep die zich de Nabis (‘profeten’) noemden, onder wie Sérusier, Gauguin, Maurice Denis en Emile Bernard, in Rusland Kandinsky en Malevitsj, de Duitse schilders van de Blaue Reiter, allen lieten ze zich inspireren door de decoratieve patronen en elementaire vormen van lokale volkskunst. Ook de gemeenschapszin van oude rurale gemeenschappen diende ten voorbeeld voor kunstenaarsgemeenschappen, in Pont-Aven, Worpswede en op vele andere plekken.

De term folklore, in 1846 bedacht door de Engelse schrijver William Thoms, duidt op een samenstel van kennis en oude gebruiken (‘lore’) van een volk of groep mensen. Voor Thoms was de aandacht voor handwerk en oude tradities in de eerste plaats een reactie op de industrialisatie. Maar ook betekende de mode van folklore en volkstradities, die overal in Europa om zich heen greep, een kritiek op het neoclassistische, heersende academisme in de kunst. Voor folkloristische tradities bestaat geen opleiding, er valt geen diploma in te behalen en er zijn geen voorgeschreven productiemethoden.

Vassily Kandinsky, Die Raben, 1907 Philippe Migeat - Centre Pompidou

Het gedachtegoed van de Duitse romantische dichter, filosoof en theoloog Johann-Gottfried Herder (1744-1803) was een belangrijke bron van inspiratie. Herder beschouwde de brede aandacht voor volkskunst als een uiting van bevrijdingsdrang en als een zoektocht naar de oorsprong van lokale en regionale gebruiken. De afwijzing van technologische vooruitgang was een pleidooi voor vertraging, voor een terugkeer naar ambacht en handmatige productie.

Unesco

De timing van het Centre Pompidou is goed, in deze tijd van anti-globalistische, nationalistische heroriëntatie, van europacentrisme en etnische differentiatie. De lijst van immaterieel erfgoed van Unesco, ingesteld in 2003, groeit razendsnel. De lijst omvat lokale feesten, liederen en dansen, tot recepten en culinaire gebruiken aan toe.

De liefde voor folklore en volkskunst is een doos van Pandora, vol tegenstrijdigheden. In de negentiende eeuw werd het engagement met folkloristische tradities door fervente voorstanders van regionale tradities en van een zelfbewustzijn van de eigen cultuur als een patriottistische daad gepropageerd. Burgers emancipeerden zich ten opzichte van de aristocratische elite en organiseerden zich in verenigingen en sociëteiten. De leden van de Keltische Academie – voorloper van de Société des Antiquaires de France – bestaande uit artsen, notarissen, collectioneurs, amateur-archeologen, beschouwden zichzelf als de erfgenamen en hoeders van het ware Frankrijk. Hun dweperij met het ongekunstelde plattelandsleven, met een retour à la terre, ging gepaard met een fascinatie voor het vreemde, irrationele en primitieve, met sprookjes en lokale legenden.

Natalia Gontsjarova, Costume fantastique, ca 1926 Adagp, Paris 2020, Centre Pompidou

Vichy

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, onder het Vichyregime onder leiding van Maarschalk Philippe Pétain, werd de volkscultuur van bovenaf opgelegd en werden buitenlandse modes verboden: het was de farandole, een Provençaalse reidans, tegen de jazz. Op de tentoonstelling is allerlei propaganda te zien uit de Vichy-periode, zoals posters van dansende vrouwen in klederdracht en van Franse boeren die bezoek krijgen van Pétain. Hij spreekt hen bemoedigend toe: „De aarde liegt niet.” Er is handbeschilderd aardewerk met de initialen Ph.P en poppetjes van keramiek die de maarschalk in bruin uniform voorstellen. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog had volkskunst vanzelfsprekend een wrange bijsmaak, verbonden met een vulgaire, regionalistische politiek-ideologische volkscultuur.

Pop uit Kirov, Rusland, tweede helft twintigste eeuw Foto Mucem/Yves Inchierman

De timing van Folklore is goed, maar de verbinding met moderne en hedendaagse kunst wordt in de tentoonstelling jammer genoeg oppervlakkig en onsamenhangend behandeld. Uiteenlopende kunstenaars als Francesco Clemente, Markus Lüpertz en Marina Abramovic worden genoemd en er is een film te zien van Pierre Huyghe van een door hem georganiseerde carnavaleske optocht in Dijon, Het Gulden Vlies (1993).

De tentoonstelling laat wél overtuigend zien dat waar in het ene geval de hang naar folklore kan duiden op bekrompenheid, op xenofobie en een naar binnen gekeerd zijn van een gemeenschap, het in het andere geval juist het tegenovergestelde kan betekenen: een opening, een bevrijding, een manier om vanuit een diepe en gedetailleerde kennis van een traditie te komen tot een inzicht in grotere, meer universele dingen.