Brieven

Het vrije woord

Grondrechten worden niet alleen door de staat bedreigd

Foto REMKO DE WAAL/ANP

Naar aanleiding van een open brief over de afrekencultuur, opgesteld door Raisa Blommestijn en mij, stelde René Koekkoek dat het recht op vrije meningsuiting niet is aangetast (Afrekencultuur gaat over veranderende mores, 20/7). Iedereen mag immers oproepen tot het annuleren of deplatformen van sprekers, en werkgevers mogen zelf bepalen hoe ze daarmee omgaan.

Koekkoeks stelling ‘het recht op vrije meningsuiting hebben burgers tegenover de staat’ is onjuist: grondrechten hebben ook ‘horizontale’ werking (tussen burgers onderling) en een recht op vrijheid van meningsuiting kan dus ook ingeroepen worden tegenover machtige organisaties in de samenleving. Daarnaast wordt het volgens Koekkoek pas problematisch „op het moment dat de staat de vrije meningsuiting gaat beknotten” en niet als een deel van de bevolking dat doet of wil. Deze opvatting is hopeloos beperkt. In deze tijd vormen talloze actoren een wellicht grotere bedreiging voor onze grondrechten dan de staat.

De huidige strategie van de radicalen lijkt te zijn om de werkgevers van mensen, die onwelgevallige of gevoelige uitspraken doen, op te roepen om hen te ontslaan. Politieke tegenstanders worden, haastig en ongefundeerd, publiekelijk gediskwalificeerd als nazi, racist, fascist of islamofoob. Dit getuigt van een ambitie om meer dissidente stemmen de mond te snoeren. Deze situatie creëert, zoals Zihni Özdil treffend schreef in NRC, „een angstcultuur, afgedwongen door een nieuwe gedachtenpolitie die jacht maakt op je baan en je reputatie”. Durf je nog vrijelijk je mening te uiten als dat betekent dat je daardoor je levensonderhoud kan verliezen?


promovendus Universiteit Leiden