De koepel van de nieuwe Sint-Bavo

Foto Luuk Kramer

De koepel van de kerk is de rok van de maagd

Architectuur De koepel van de in 2019 gerestaureerde Kathedrale Basiliek Sint-Bavo in Haarlem is niet alleen een verbeelding van het nieuwe Jeruzalem, maar ook een ‘rok van Maria’. Maar wat betekent de uitdrukking ‘naar Jeruzalem kijken?’

De rok van de maagd, zo heb ik mijn theorie over koepels gedoopt. Ik kwam erop toen ik in 2010 samen met de fotograaf Luuk Kramer het boek Hollandse Hemels. Koepels in Nederland maakte. Tijdens onze tochten langs tientallen moskeeën, paleizen, gevangenissen, warenhuizen en vooral kerken om hun koepels van onderen te fotograferen, viel op dat de meeste koepelkerken in Nederland Rooms-Katholiek zijn. Dit was een grote verrassing. Nederland staat immers bekend als een calvinistisch land en een koepelkerk is bij uitstek geschikt als protestants godshuis. Anders dan katholieken doen protestanten immers niet aan Heilige Missen met veel hocus-pocus op het altaar voorin een langwerpige basiliek. Voor protestanten gaat het in de eerste plaats om het Woord Gods en de ideale ruimte om dit te verkondigen is een ‘centraalbouw’, met de kansel in het midden, onder een koepel die de woorden van de dominee doet galmen.

Dit was dan ook het uitgangspunt voor het ontwerp van de eerste kerk in Nederland die als protestants godshuis werd gebouwd, de Koepelkerk in Willemstad uit 1607. Architect Coenraat Norenburch kreeg van de financier van de kerk, prins Maurits van Oranje, de opdracht om een ronde of achthoekige ‘centraalbouw’ te ontwerpen. Norenburch koos voor een achthoekige.

Koepel van CollegeHageveld, met de schildering van Huib Luns
Foto Luuk Kramer
Koepel van CollegeHageveld, met de schildering van Huib Luns
Foto Luuk Kramer

Hoewel de protestante koepelkerk in Willemstad door de eeuwen heen negen imitaties kreeg in dorpen als IJzendijke (1612) en Veenhuizen (1825) en het katholieke gelovigen in Nederland ruim drie eeuwen lang verboden was kerken te bouwen, bestaan er toch veel meer katholieke kerken met een koepel dan protestantse. Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in 1853 mochten katholieken weer kerken bouwen, en vaak kregen die, net als de Sint-Pieter en vele andere kerken in Rome, een koepel. Zo heeft de opvallendste katholieke kerk in Amsterdam, de Sint-Nicolaaskerk uit 1887, er een, evenals de kolossale nieuwe Sint-Bavo in Haarlem uit 1930.

Koepelrok

Volgens de doctrine van de rok van de maagd zijn er in Nederland meer katholieke dan protestantse koepelkerken, omdat voor katholieken God eigenlijk een vrouw is. In de maagd Maria die Jezus van Nazareth onbevlekt heeft ontvangen, heeft God immers een moeder, en aangezien moeders altijd eerder bestaan dan hun nakomelingen, is de Moeder van God de oergodin tot wie katholieken, tot afgrijzen van de protestanten, veel liever en vaker bidden dan tot hun officiële, driedelige God.

Dit is een voorbode van het geloof van Gerard Reve, Marvin Gaye en Prince dat seks de mens dichter bij God brengt

De reden dat katholieke Mariavereerders zo veel kerken met koepels hebben gebouwd is dat een koepel kerkgangers het gevoel van ‘onder moeders rok’ geeft, van geborgenheid en veiligheid, zo gaat de koepeltheorie verder. Een blik omhoog in een koepel is als het omhoogkijken van een bang kind onder moeders hoepelrok. Daar komt nog iets bij. Om koepels beter te verlichten zijn ze vaak bekroond door een ‘lantaarn’, een rond torentje met vensters waardoor overdag het licht valt dat, van onderen gezien, het middelpunt van de koepelrok laat oplichten, als de stralende origine du monde waar we allemaal vandaan komen.

Jeruzalem

Bijna een jaar na de publicatie van Hollandse Hemels werd het boek in 2012 een tentoonstelling. Omdat de opdrachtgever, het abc architectuurcentrum in Haarlem, ons had gevraagd om ook enkele koepels in Kennemerland van onderen te fotograferen, bezochten we op een mooie herfstochtend College Hageveld in Heemstede, een middelbare school in een groot katholiek gebouw uit 1921 van Jan Stuyt. Hart van het gebouw, tot 1965 een kleinseminarie, is een ovale kapel met een koepel waarop Huib Luns (1881-1942), de vader van de katholieke politicus Joseph Luns, van 1952 tot 1971 minister van Buitenlandse Zaken, de twaalf apostelen heeft geschilderd.

Tijdens het fotograferen van de koepel van Hageveld legde Klaas Annema, conrector van College Hageveld, het een en ander uit over de kapel. In 2001 was de kapel verbouwd tot een toneelzaal met daarboven een bibliotheek. De architect had voorgesteld om de bibliotheekvloer van glas te maken, zodat de koepel ook vanuit het theater zichtbaar zou zijn. Maar dit ging niet door omdat „je anders vanuit de toneelzaal naar Jeruzalem kon kijken”, vertelde Annema.

Ik begreep niet precies wat hij bedoelde met ‘naar Jeruzalem kijken’.

De koepel van de nieuwe Sint-Bavo
Foto Luuk Kramer
De koepel van de nieuwe Sint-Bavo
Foto Luuk Kramer

Van de door Jos Cuypers ontworpen Sint-Bavo wist ik uit een boek van Joh. W. B. Beijk uit 1948 over de laatste kathedraal van Nederland, dat de twaalf spitsbogen waarop de koepel rust, verwijzen naar het Hemelse Jeruzalem uit De Openbaring van Johannes, het laatste en veruit krankzinnigste boek van de Bijbel. Volgens Johannes heeft het Hemelse Jeruzalem twaalf poorten, twaalf ‘grondvesten’ en een muur waarop de namen staan van de twaalf ‘Apostelen van het Lam’, schrijft Beijk in De nieuwe Sint-Bavo te Haarlem.

Omdat de binnenkoepel van Hageveld bestaat uit twaalf segmenten en Luns daar bovendien alle apostelen op had geschilderd, was ook deze een verbeelding van het Hemelse Jeruzalem, begreep ik. Maar dan zou het toch juist mooi zijn als je er vanuit de theaterzaal zicht op had. Waarom was ‘naar Jeruzalem kijken’ dan een bezwaar, vroeg ik Annema. „Nou, naar Jeruzalem kijken betekent dat je onder de rokken van meisjes en vrouwen kijkt”, antwoordde hij. „Dat zou kunnen als de vloer van glas was en je in het theater naar boven keek en daar meisjes liepen.”

Openbaringen

Ik kon mijn oren niet geloven: dit was een bevestiging van de theorie van de rok van de maagd, die in een bespreking van Hollandse Hemels in het Reformatorisch Dagblad ‘aanstootgevend’ en ‘weinig overtuigend’ was genoemd. Voor de zekerheid vroeg ik Annema of ‘naar Jeruzalem kijken’ een gebruikelijke uitdrukking was. „Jazeker”, antwoordde hij. „Dat zeiden we vroeger als jongens altijd als je vol zicht had op het kruis van een meisje.” Wat de oorsprong van de zegswijze was, wist hij niet.

Misschien heb ik door mijn katholieke opvoeding nog nooit van ‘naar Jeruzalem kijken’ gehoord, dacht ik, toen Annema bekende dat hij van huis uit gereformeerd was. Maar fotograaf Luuk Kramer, ook van gereformeerden huize, kende de uitdrukking evenmin. Later bleek ook mijn zwager, die als kleinseminarist zes jaar lang vrijwel dagelijks naar de koepel van Hageveld had zitten kijken, onbekend met de uitdrukking.

Internet, vrijplaats voor rare verhalen, bood ook geen uitkomst. Om de herkomst van ‘naar Jeruzalem kijken’ te vinden zat er toen nog maar één ding op: het boek van Beijk over de nieuwe Sint-Bavo en de Openbaring van Johannes weer eens lezen.

Hans Memling: rechterpaneel van het drieluik van Sint-Jan, over de Openbaring van Johannes, met rechtsboven Maria in een ovalen koepel Sint-Janshospitaal, Brugge

Zalig opgaan

Pas bij herlezing viel me op hoe dubbelzinnig Beijks passages over de koepel van de nieuwe Sint-Bavo in 1948 moeten zijn geweest voor katholieke ogen en hersens. Natuurlijk begint Beijk met de bewering dat de koepel van de Sint-Bavo de hemel verbeeldt; dit is tenslotte de betekenis die het vaakst wordt gegeven aan kerkkoepels. Maar dan schrijft hij: „De hemel, waaraan wij niet, dan met een smachtend verlangen kunnen denken, terwijl dat verlangen alleen al ons vermag op te voeren tot beter, tot hoger. De koepel, die, en in zijn kolossale pijlers, maar vooral in zijn omhoogstrevende spitsbogen ons voorhoudt, ja, als het ware dwingt, lichamelijk en geestelijk, hoger te zien.”

Smachtend verlangen, kolossale pijlers, omhoogstrevende spitsbogen lichamelijk hoger zien – dit is niets anders dan katholiek erotisch proza, een voorbode van het geloof van Gerard Reve, Marvin Gaye en Prince dat seks de mens dichter bij God brengt.

En Beijk gaat verder: „De hemel en de tocht daarheen. Als ideaal hangen we en denken we aan een sterfbed, waarbij de overgang van het tijdelijke naar het eeuwige zonder schokken, bijna onmerkbaar, plaats vindt. [...] De koepel, hij is ons voorbeeld, een troostend voorbeeld, van zulk een zalig opgaan. Zonder schokken, zonder merkbaar tegenstreven, gaat de vierkante grondvorm in de cirkel over. Voeren pijlers en de koepel zelve ons van de aarde naar de hemel.”

Een zalig opgaan zonder merkbaar tegenstreven waarbij een vierkant (man) zich versmelt met een cirkel (vrouw) en pijlers die naar de hemel voeren – dit is een verhulde beschrijving van de coïtus die eindigt in een orgasme oftewel ‘de kleine dood’.

Neerdalende bruid

Beijks erotische koepelproza mondt uit in een passage over het laatste deel van De Openbaring van Johannes. Na eerst een groot aantal draken, duivels, engelen, hoeren, plagen en straffen te hebben losgelaten op de aarde, besluit Johannes zijn visioenen van het einde der tijden met het neerdalen van het Hemelse Jeruzalem op aarde: „En Hij (de engel) toonde mij de Heilige Stad. Ze prijkte met Gods Heerlijkheid; haar lichtglans leek op edelsteen, op japsis, helder als kristal”, zo citeert Beijk uit de 21ste en voorlaatste openbaring van Johannes. Vreemd genoeg laat Beijk een eerdere – en nog duidelijkere – passage over het nieuwe Jeruzalem ongenoemd: „Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdalen, bij God vandaan”, aldus Johannes in de nieuwe Bijbelvertaling uit 2004. „Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht.”

Het nieuwe Jeruzalem dat als een bruid uit de hemel neerdaalt op aarde. Toen ik deze vergelijking las, kon ik mijn ogen niet geloven. Want nu stond het eindelijk vast: ‘naar Jeruzalem kijken’ komt uit de 21ste Openbaring van Johannes waar de twee betekenissen van de kerkkoepel, de rok van de maagd en de hemel, samenvallen.