Betwiste grot van eerste indianen in Mexico

Archeologie In Mexico zouden werktuigen van 28.000 jaar oud zijn gevonden. De eerste reacties zijn sceptisch. „Waar zijn de vuurplaatsen?”

Onderzoekers aan het werk in de Mexicaanse grot.
Onderzoekers aan het werk in de Mexicaanse grot. Foto Mads Thomsen

In een grot in Mexico zouden stenen werktuigen zijn gevonden die tot 28.000 jaar oud zijn. In potentie is dat een revolutionaire ontdekking. Het zou betekenen dat mensen al 30.000 tot 33.000 jaar geleden vanuit Oost-Azië over de dan droogliggende Beringstraat Amerika zouden hebben betreden. Dat is ruim tienduizend jaar eerder dan nu wordt gedacht. De opgraving wordt deze week in Nature beschreven door een team van genetici, archeologen en dateringexperts onder leiding van de Mexicaans-Roemeense archeoloog Ciprian Ardelean.

De eerste wetenschappelijke reacties zijn behoorlijk kritisch. Met zijn nieuwe datering van de oudste menselijke bewoning van de Amerika’s stapt Ardelean midden in een van de meest omstreden archeologische kwesties van de laatste decennia. Bijna voortdurend duiken in de Amerika’s extreem oude dateringen op die vervolgens bedolven onder kritiek weer afgevoerd worden. De Noord-Amerikaanse Clovis-cultuur van 13.000 jaar geleden gold tot eind jaren negentig als de oudste, toen in Chili een inmiddels breed geaccepteerde vondst van 14.500 jaar oud opdook. Verder noordelijk staat de oudste, geaccepteerde datering op ca. 16.000, met de entree in Alaska, over de droogliggende Beringstraat, rond 18.000 jaar geleden.

Een van de oudste gevonden stenen werktuigen uit de grot. Foto Ciprian Ardelean

Ardelean en collega’s deden opgravingen in de afgelegen Chiquihuite-grot, op ruim 2.700 meter hoogte in het Centraal-Mexicaanse Astillero-gebergte. Dat leverde ruim 1.900 stenen werktuigen op, waarvan een deel gevonden is ónder een sedimentlaag uit het koudste gedeelte van de laatste IJstijd, het Last Glacial Maximum (ca. 26.000-19.000 jaar geleden). Bij een van de bewerkte stenen onder die LGM-laag is een koolstofdatering gedaan met een ouderdom van bijna 28.000 jaar. In totaal zijn in de grot 50 C14-dateringen gedaan, met ter controle nog een aantal optisch-gestimuleerde-luminiscentie-dateringen (OSL).

Geiten, schapen, vogels

De grot lijkt in een periode van 16.000 jaar regelmatig te zijn bezocht door mensen, schrijven Ardelean en zijn team, tussen 28.000 en 12.000 jaar geleden. Opvallend is dat de stijl van de gevonden stenen werktuigen al die tijd niet veranderd lijkt te zijn. Uit analyse van dna-resten in het sediment zijn sporen van geiten, schapen, vogels, knaagdieren en zelfs uitgestorven paardachtigen gevonden. En op de muren van de grot zijn sporen van koolwaterstoffen en eiwitten gevonden die, zoals het team van Ardelean schrijft, „afkomstig kunnen zijn van menselijke of dierlijke activiteiten”.

Een C14-datering van 16.000 jaar oud, van vondsten in Coopers Creek in Idaho, die vorig jaar augustus werd gepubliceerd, geldt tot nu toe als oudste, met een OSL-datering uit Gault, Texas, van 16.000 à 20.000 jaar oud als belangrijkste, maar meer omstreden concurrent voor het record. Overigens zijn snijsporen op een paardenbot uit de noordelijke Bluefish Caves, op de grens van Alaska en Canada onlangs gedateerd op een leeftijd van 24.000 jaar, maar die toeschrijving is omstreden gebleven, onder meer door het gebrek aan werktuigen op die plek.

Of Chiquihuite het nieuwe Amerikaanse record zal gaan worden is nog maar de vraag. Vooralsnog zijn de wetenschappelijke reacties sceptisch. De Nederlandse archeoloog Wil Roebroeks (Universiteit Leiden) heeft bij de auteurs zelfs high-res-foto’s van de werktuigen opgevraagd. „Ik vind het bij veel stukken heel moeilijk om er menselijke bewerking in te zien”, zegt hij door de telefoon. „Die dateringen zijn knap gedaan, zeker. Maar juist over het eenvoudige archeologische basiswerk heb ik mijn twijfels: hoe is deze vindplaats tot stand gekomen, wat – if any – was de rol van mensen? Voor zulke baanbrekende claims moet je echt overtuigende data hebben. Dit materiaal kan van buiten de grot in zijn gevallen. Deze grot ligt aan een steile helling vol los puin. Welk onderzoek is daar naar gedaan? Allemaal vragen die niet beantwoord worden. Ik ben zeer sceptisch.”

Ook archeoloog Tom Dillehay (Vanderbilt University, Nashville) heeft twijfels. Juist Dillehay creëerde met zijn opgravingen in het Chileense Monte Verde (14.500 jaar oud) eind jaren negentig een doorbraak in het denken over de ouderdom van de bewoning van de Amerika’s. „En we leken zelfs nog veel oudere aanwijzingen te vinden, heel curieuze vuurplaatsen van 33.000 jaar. Maar er was te weinig informatie om daar op te kunnen vertrouwen”, zegt hij door de telefoon. In 2015 opperde Dillehay overigens wel nog de mogelijkheid van menselijke aanwezigheid in Monte Verde tot 18.500 jaar geleden.

Plantaardig afval

In reactie op de publicatie over de Chiquihuite-grot zegt Dillehay nu allereerst blij te zijn dat er nu ook paleo-onderzoek in Mexico wordt gedaan. „Heel fijn dat Ciprian in dat gat springt. Maar ik vraag me serieus af waarom er niet veel meer plantaardig afval in de grot ligt, als er inderdaad zo lang mensen zouden zijn geweest. In dat droge klimaat is het echt onvermijdelijk dat je dat terugvindt. En waar zijn de gebroken en verbrande dierenbeenderen? De vuurplaatsen? Dat baart me allemaal zorgen.”

En alsof dit allemaal niet genoeg is, doet ook de archeoloog David Meltzer (Southern Methodist University, Dallas) per e-mail een duit in het zakje. Meltzer publiceerde in 2009 het standaardwerkFirst Peoples in a New World en is betrokken bij veel opgravingen naar de eerste bewoners van Noord-Amerika. „Een interessant onderzoek”, zegt hij. „Maar waarom blijven die werktuigen minstens 16.000 jaar lang hetzelfde? Terwijl uit dit onderzoek juist blijkt hoeveel veranderingen er in het klimaat en de natuurlijke omgeving plaatsvinden. En wat zochten mensen in die hooggelegen grot, 1.000 meter boven de basis van de vallei? Waarom kampeerden ze niet gewoon beneden? Waarom was die grot zo’n magneet voor mensen? Daarover zwijgen de onderzoekers.”

Geconfronteerd met de kritiek is de zucht van teamleider Ciprian Ardelean ook per e-mail haast hoorbaar. „Dit zijn allemaal vragen die ik mezelf ook de hele tijd stel”, schrijft hij. „Inmiddels zijn we ook begonnen met een analyse van gebruikssporen op de stenen werktuigen. Ik ben echt overtuigd dat het artefacten zijn. We hebben ook weer nieuwe afslagen en werktuigen gevonden. Dat is een nieuwe publicatie. We werken stap voor stap.”

Toen we zelf vuur stookten in deze grot, stikten we bijna

Ciprean Ardelean hoofdonderzoeker

En Ardelean is zelf ook „nog steeds teleurgesteld door het gebrek aan snijsporen of andere bewerkingen op beenderen”. Inmiddels gaan al weer nieuwe stukjes bot uit de grot naar de elektronenmicroscoop voor nader onderzoek. En het gebrek aan haard- en afvalresten? Ardelean: „We hebben wel houtskool gevonden, maar geen vuurplaatsen, nee. We werken vrij ver in de grot, terwijl je juist bij de ingang vuurplekken en etensresten zou verwachten. Maar bij die ingang kunnen we niet graven omdat die 12.000 jaar geleden is bedolven onder meters puin. Misschien is dat de verklaring. We hebben nog geprobeerd om diep in de grot een vuur te stoken. Het duurde twee dagen voor de rook weer weg was. Het was verstikkend, dat zullen ze toen ook niet gedaan hebben.”

Een van de onderzoekers zoekt naar dna-materiaal. Foto Devlin A. Gandy

Een ander probleem voor zo’n extreem vroege datering is dat uit genetische analyses de laatste jaren duidelijk is geworden dat de huidige indiaanse bevolking (Native Americans, Pueblos Nativos) zich ergens rond 23.000 jaar geleden moet hebben afgescheiden van de meest verwante Oost-Aziatische en Siberische bevolkingsgroepen. Dat is echt te laat voor de aankomst in Mexico die Ardelean voor zich ziet, al zou dat in principe nog een éérdere emigratie kunnen zijn geweest, die geen genetische sporen heeft nagelaten. Erg zeker is de Amerikaanse genetica sowieso nog niet, omdat in de zestiende eeuw en later bij de grote indiaanse sterfte door epidemiën en uitbuiting veel genetische variatie verloren moet zijn gegaan. Overigens hebben recentere analyses van vroeg Amerikaans paleo-dna de bestaande conclusies over die paleo-indiaanse afscheiding rond 23.000 jaar geleden nog steeds niet omgegooid. Hoe dan ook, vanuit Oost-Siberië (of toen beter gezegd: West-Beringia) konden mensen in de IJstijd tussen 50.000 en 11.000 jaar geleden over de dan drooggevallen Beringstraat naar Alaska trekken. En zeker vanaf 30.000 jaar geleden is al menselijke bewoning in Noordoost-Siberië bekend, binnen de poolcirkel aan de Yana-rivier. Probleem is dan wel dat die potentiële emigranten ten oosten van ‘Beringia’ al snel stuitten op de gigantische Cordilleraanse ijsplaat die toen Zuid-Alaska en het westen van Canada tot aan de kust bedekte. Vanaf ongeveer 17.000 jaar geleden werd deze plaat kleiner, zodat pas toen een zuidwaartse tocht langs de kust mogelijk lijkt te zijn geweest. „Maar ik denk dat ze daar ook wel langs konden varen”, zegt Tom Dillehay.