Minder vlees eten lukt consument niet alleen

Planbureau voor de Leefomgeving De overheid kan veel resoluter een andere eetcultuur bevorderen, stelt het Planbureau voor de Leefomgeving.

Hoewel Nederlanders aangeven minder vlees te willen eten, doen ze dat niet of nauwelijks.
Hoewel Nederlanders aangeven minder vlees te willen eten, doen ze dat niet of nauwelijks. Foto Paul Bergen/ ANP KIPPA

Nederlanders zouden minder vlees en meer plantaardige eiwitten moeten eten. Daar stuurt de overheid al jaren op aan. Maar zolang dat wordt gezien als een verantwoordelijkheid van individuele burgers, gaat dat waarschijnlijk niet lukken. De overheid zou meer moeten proberen onze collectieve gewoontes te beïnvloeden.

Dat is de strekking van het rapport Voedselconsumptie veranderen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dat op eigen initiatief keek naar het beleid om duurzame eetpatronen te stimuleren en daarvoor bestaande studies en experimenten onder de loep nam.

„Nederlanders eten gemiddeld genomen niet gezond en niet duurzaam”, schrijven de onderzoekers. Waarbij als duurzaam geldt: minder voedsel verspillen, producten kopen die duurzaam zijn geproduceerd maar vooral: meer plantaardig eten.

Nederlanders eten gemiddeld 98 gram vlees per dag, veel meer dan de maximaal 70 gram die de Gezondheidsraad adviseert. Ze halen 60 procent van hun eiwitten uit dierlijk en 40 procent uit plantaardig voedsel. 50 procent of minder dierlijke eiwitten is gezonder en beter voor milieu en klimaat, aldus de wetenschappelijke consensus. Maar hoewel Nederlanders aangeven minder vlees te willen eten, doen ze dat niet of nauwelijks. De vraag is wat de overheid kan doen om doelen te halen die bijvoorbeeld gesteld zijn in het klimaatakkoord en het preventieakkoord.

Het huidige beleid is gebaseerd op het idee dat consumptie voornamelijk een individuele keuze is, schrijft het PBL. Met prijsprikkels, betere informatie en nudging – een ongemerkt duwtje in de rug – zouden mensen vanzelf anders gaan eten. Denk bijvoorbeeld aan logo’s die aangeven hoe gezond een product is. Maar, schrijft het PBL, „consumenten denken niet iedere keer grondig na als ze bijvoorbeeld boodschappen gaan doen of gaan koken, ze vallen bij het uitvoeren van deze activiteiten vaak terug op routines.” Ook het effect van prijsmaatregelen moet volgens het PBL niet worden overschat. „Een verhoging van het btw-tarief voor vlees van 9 naar 21 procent zal de vleesconsumptie naar schatting met 3 tot 4 procent doen afnemen.”

Lees ook: Meer flexitariërs en toch meer vlees op ons bord, hoe kan dat?

Anders leren koken

Wat veranderen lastig maakt, is dat die routines diep in de samenleving geworteld zijn. Hoe we barbecueën, wat we met Kerst eten en wat we bestellen in een restaurant bijvoorbeeld, hangt samen met cultuur, met de vaardigheden die we aangeleerd hebben gekregen en met wat wordt aangeboden in winkels en de horeca. Onze routines zijn ook nog verknoopt met talloze andere gewoontes in het dagelijks leven: uit het werk snel boodschappen doen en de kinderen halen of naar de sportkantine in het weekend.

Als je consumenten wél informeert over andere voeding, maar ze níet anders leert koken terwijl ook het aanbod hetzelfde blijft, „is het onwaarschijnlijk dat consumptiepatronen veel zullen veranderen”. Het gevaar is bovendien dat consumenten de kont tegen de krib gooien als ze steeds horen wat zij moeten doen. „Beleid dat consumptiegedrag benadert als een individuele keuze, legt impliciet veel verantwoordelijkheid bij consumenten”, schrijft het PBL. „Dat kan het draagvlak ondermijnen.”

De overheid zou kunnen kijken naar gewoontes die veel Nederlanders delen en waarbij relatief veel vlees wordt gegeten – zoals bij bezorgmaaltijden of in restaurants – en daar beleid ontwikkelen dat gezond kiezen makkelijker maakt. Daarvoor kan dan ook naar positieve voorbeelden worden gezocht. Eetpatronen zijn bijvoorbeeld al veranderd door de opkomst van de Italiaanse en Aziatische keukens. Dat kan ook gebeuren als koks meer plantaardig gaan koken, zoals nu al gedaan wordt door een groep chefs die zich verenigd hebben in het project Dutch Cuisine.

Lees ook: Zet het mes in de gehaktbal en hij verandert in een splijtzwam

Het PBL noemt zeven „bouwstenen voor beleid” die de culturele voedselroutines kunnen doorbreken. Zo kan de overheid inspringen op levensveranderende gebeurtenissen of crises, zoals de coronacrisis. Op die momenten staan consumenten meer open voor nieuwe routines, stelt het PBL. Verder kan er, in samenspraak met consumenten, meer geëxperimenteerd worden met een ruimer plantaardig aanbod in restaurants en kantines. Maar de overheid kan ook strikter reguleren wat niet vanzelf gaat, bijvoorbeeld door vleesaanbiedingen en fastfoodverkoop te beperken. Voedselproducenten, supermarkten, horeca, cateraars, culinair recensenten en ‘influencers’ – de hele keten moet tegelijk meedoen om gezonde keuzes normaler te maken.

De vraag is in die culturele benadering niet óf overheden (mogen) sturen op die collectieve routines, maar hoe ze dit doen, stelt het PBL. En wat dan de gemakkelijkste, meest voor de hand liggende en aantrekkelijkste keuzes voor consumenten moeten zijn. Maar dát zijn normatieve en politieke vragen waar de wetenschappers van het Planbureau geen antwoord op geven.