Opinie

Mijn legendarische moeder

Marcel van Roosmalen

Een paar maanden geleden kreeg ik een ‘niet schrikken-telefoontje’ van een van de juffen van mijn oudste dochter. Lucie was bij het stoeien op het schoolplein gevallen, voortand eruit, hele klas in rep en roer. Ik haalde haar op.

Een paar bloedvlekken op haar witte shirt.

De voortand in haar knuist, de wortel zat eraan.

De tandarts sprak van een mooie val, ze hoefde verder niets te doen.

„Afwachten, over een paar jaar zit er een nieuwe.”

In het dorp was niemand onder de indruk, een gaaf gebit is er nog geen statussymbool.

„Ach, het is maar een melktand toch?”, kregen we te horen.

En: „Iedereen verliest hier weleens een tand.”

Ik dacht aan mijn vader die aan het eind van de oorlog een voortand verloor. Er was geen geld voor een kunsttand, dat kwam toen vaker voor, niemand die erom maalde, maar hij ontbrak wel vaak op familiefoto’s.

Van die schaamte heeft mijn dochter geen last.

Integendeel.

De voortand reist voortdurend met haar mee, in een glazen potje waarin eerder aardbeienjam van een duur hotel heeft gezeten. Als er mensen van buiten het dorp op bezoek komen, mag ze het potje graag op tafel zetten.

Dan altijd hetzelfde gesprek.

„Goh, een tand, wat een grote, ben je aan het wisselen?”

„Nee, die is eruit geslagen. Op school. In Wormer. Zomaar.”

Daarna die ontwapenende glimlach, extra breed zodat het gat goed te zien is. Ik bewonder haar om het aplomb waarmee ze de zelfverzonnen verschrikkingen brengt, later worden onze dochters waarschijnlijk actrices want haar jongere zusje kan er op commando bij huilen. Nadat ze het verteld heeft, pakt mijn oudste haar potje weer en zegt zo nonchalant mogelijk dat ze even wat anders gaat doen.

Een lange aanloop naar misschien wel de mooiste herinnering aan mijn moeder van de laatste jaren. Nog van voor corona, ze verbleef na een val tijdelijk in een verpleegtehuis in Velp. We kwamen op bezoek, haar arm zat in een mitella.

Mijn dochter ging tegenover haar zitten, zette het potje op tafel en zei dat ze geslagen was. Mijn moeder schoof het potje opzij, trok de prothese van haar bovenkaak eruit, een metalen constructie met tanden en kiezen.

„Ook geslagen, door de thuiszorg geloof ik. Zomaar.”

Even later zat ze tevreden glimlachend voor zich uit te staren, ze wist zelf ook wel dat ze zich onvergetelijk had gemaakt.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.