Het kwam niet in hem op Loes achter te laten

De Golf | Aflevering 7 Met het oog op de zeespiegelstijging kochten schrijver Bruno en academica Loes een woonschip. Een feuilleton van
Illustratie Olivia Ettema

Bruno had in Loes altijd bewonderd dat ze sterk in haar schoenen stond, dat ze wist wat ze wilde. Maar nu hij haar moest overhalen zich te voegen naar iets wat ineens zijn diepste wens geworden was, had hij haar liever meegaander gehad. Zij zat onverklaarbaar vast aan hun onhandig ingedeelde appartement in het centrum, waar de mensen onder en boven hen op de trap stampten en barbecueden op hun balkon met André Hazes erbij.

Geen enkel moment kwam het in zijn hoofd op om Loes daar achter te laten. Nee, boven alles geeft hij om haar, en niet alleen omdat hij dat bij hun huwelijk heeft beloofd. Zijn liefde is een bezwering voor datgene in hemzelf dat hij zijn slechte, ijdele kant noemt. Hij verafschuwt elke vorm van egoïsme, en hij weet heel goed dat hij voor een paar vormen niet zo ver weg hoeft om ze te vinden. De zelfopgelegde verplichting Loes lief te hebben, maakt van hem een beter mens.

Job wil weten of de seks tussen hem en Loes nog bevredigend is. Maar daar gaat het nu even niet om, vindt Bruno. Al begrijpt hij waar de vraag vandaan komt. Job vindt het natuurlijk niet zo erg romantisch klinken, dat jezelf verplichten en zo, maar dat is het juist wel. Hij praat niet over de momenten waarop het makkelijk is om van je geliefde te houden, de momenten waarop je niet van elkaar af kunt blijven. Dat is geen kunst. Het gaat erom dat je die liefde blijft koesteren, juist als je op belangrijke punten hemelsbreed van elkaar verschilt, wanneer je je rot ergert of wanneer je iemand anders leuker begint te vinden.

„Even hoor”, zegt Job. Hij steekt zijn vinger op. „Wanneer speelt dit alles precies? Dat je Loes moest overhalen om op een boot te gaan wonen?”

„Ruim drie jaar geleden”, antwoordt Bruno. „Waar was ik ook alweer gebleven? Als je me onderbreekt kan ik niet duidelijk denken.” O ja. Job moet weten dat Floortje, zijn bijzonder knappe zusje, een vriend heeft die uit een schippersfamilie komt. Zelf heeft Rens ook een jaar of vijftien, zestien gevaren, voordat hij iets met Floortje kreeg. Nu zit hij op de wal, vanwege zijn tremor. Hij trilde al toen hij Floortje ontmoette, maar nog niet zo erg. Voor haar was het trillen in elk geval nog acceptabel geweest, voor het schip was het dat al niet meer. Hij was iets retail-achtigs gaan doen, tot ook dat niet meer ging.

Dat hij weinig om handen heeft, kwam goed uit toen Bruno een boot met ligplaats te koop had gezien. Ja hoor, Rens wilde best mee om hem te gaan bezichtigen. Hij was een tweede keer gaan kijken, een derde keer. Daarna ging hij erheen met Loes. Ze leek geïntimideerd door de afgeragde banken in de roef, de lampenkappen met franje, de tastbare geschiedenis van het schip. Of het moest de grootte ervan zijn geweest. Misschien zag ze net als hij dat er onder alle rommel iets prachtigs schuilging.

Bruno kijkt Job in de ogen. „Wat er in haar binnenste gebeurt kan ik niet altijd precies volgen. Er was in elk geval iets waardoor ze uiteindelijk zei: ‘Goed, jij krijgt je boot. Maar dan wil ik een kind.”’