Opinie

Gedeelde roes

Ellen Deckwitz

Vrijdagavond had ik een feestje en toen mij naar leestips werd gevraagd, barstte ik los in een relaas over het fascinerende boek dat sinds kort mijn nachtkastje siert (een verslag over schuldsanering in de Bronstijd). Mijn vrienden luisterden geboeid en telkens als ik het over iets anders wilde hebben protesteerden ze. Pas na anderhalf uur begon het me op te vallen dat iedereen wel erg wijde pupillen had en toen ik ze daarmee confronteerde, bleek dat ze al de halve avond aan de middelen zaten.

Daar had ik van alles op kunnen zeggen, maar eigenlijk vond ik het wel best. Ik ben altijd de geheelonthouder van de vriendengroep geweest maar heb er geen problemen mee als anderen een roesje hebben. Dan kan ik mezelf ook een beetje laten gaan. Ik heb zeer grappige, slimme en adremme vrienden van wie ik heel veel houd maar die zichzelf ook heel graag horen praten, waardoor het op zijn tijd best verfrissend is om zelf ook eens aan het woord te komen, ook al moet de rest daarvoor eerst gedrogeerd zijn.

Toen ik dat opbiechtte aan mijn zus de psycholoog moest ze lachen.

„Vind je me niet slecht?”, vroeg ik.

„Ben je gek. Zeker niet met die vrienden van jou, die het zo graag over zichzelf hebben. Als je ze nou met een ijzeren staaf tussen de billen had gefilmd en het resultaat op Dumpert had gezet, was het iets anders geweest. Zolang je ze niet aanrandt, besteelt of belachelijk maakt, is er toch helemaal niets aan de hand.”

Even wilde ik protesteren, tot ik besefte dat mijn zus vroeger altijd op een zeer specifiek moment om kleedgeldverhoging vroeg: vrijdagavond half elf, wanneer mijn ouders met een goed glas drank de werkweek van hun schouders probeerden te schudden. Relatief gelukkig en giechelig stemden ze dan met alles wat ze maar voorstelde in.

„De mens is verantwoordelijk voor zijn daden, ook wanneer hij zich bedwelmt”, zei mijn zus. Dat was niet helemaal waar, maar het kwam me wel mooi uit als ik tegen mijn vrienden een monoloog wilde houden over kwijtschelding in de prehistorie.

En dus oreerde ik vrijdagavond voor een welwillend want totaal beneveld publiek over zaken die ze normaliter meteen zouden afkappen, van de strip Elfquest tot het belastingstelsel van de Teutonen. Niemand zou zich de volgende dag nog herinneren wat ik had verteld en dat maakte ook niets uit, want het ging voor de verandering een keer niet om hen. Eindelijk kon ik eens uitpraten, en het feit dat daar chemische middelen voor nodig waren heb ik toch zeker een dag lang geheel niet bezwaarlijk gevonden.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.