Reportage

De dag dat Dutchbat terugkwam uit Srebrenica

Reporter’s notebook Het is vandaag 25 jaar geleden dat Dutchbat terugkeerde uit Srebrenica. Ward op den Brouw deed daar destijds verslag van voor NRC Handelsblad, en kijkt terug op die reportage en de maanden die er aan voorafgingen.

Zagreb, 23 juli 1995: Luitenant-kolonel Thom Karremans op de persconferentie bij de terugkeer van Dutchbat uit Srebrenica (links op de foto generaal Hans Couzy).
Zagreb, 23 juli 1995: Luitenant-kolonel Thom Karremans op de persconferentie bij de terugkeer van Dutchbat uit Srebrenica (links op de foto generaal Hans Couzy). Foto Vincent Mentzel

Zondag 23 juli 1995. De persconferentie waarbij de meeste ogen en camera’s zijn gericht op luitenant-kolonel Thom Karremans staat op het punt van beginnen, in het VN-hoofdkwartier Pleso bij het vliegveld van Zagreb.

Een dag eerder, zaterdagochtend vroeg, was het Dutchbat-bataljon dat de luitenant-kolonel leidde daar aangekomen. Vanuit de moslimenclave Srebrenica, waar de Verenigde Naties, en de Nederlandse VN-militairen in het bijzonder, geen bescherming hadden kunnen bieden aan enkele tienduizenden vluchtelingen die hun toevlucht hadden gezocht tot de compound van de Nederlandse ‘blauwhelmen’, zoals VN-militairen worden genoemd; ongeveer vijfduizend op het terrein op het kamp van Dutchbat en zo’n twintigduizend aan de randen van die voormalige accufabriek in Potocari.

De United Nations Protection Force (UNPROFOR) heeft gefaald in het gebied dat voor moslims slechts op papier een Safe Area was geweest, en Karremans zit achter de microfoon om verslag van de gebeurtenissen te doen en om, als tot voor kort hoogste VN-militair in dat gebied, verantwoording af te leggen. Tegenover de Nederlandse pers, en vervolgens in het Engels voor de internationale pers zal de commandant van Dutchbat een toelichting geven op de val van Srebrenica, op de aanloop naar dat dieptepunt in de oorlog op de Balkan en over het vertrek uit de enclave.

De blauwhelmen waren daar op vrijdag in de loop van de dag vertrokken met de staart tussen de benen, als kwajongens weggestuurd door bullebak Ratko Mladic, de generaal van het Bosnisch-Servische leger dat zich ruim drie jaar lang schuldig had gemaakt aan etnische zuivering onder de Bosnische moslims en – zo zou al snel blijken – aan genocide.

Huldiging Miguel Indurain

Journalisten én militairen zijn er klaar voor, maar het is nog even wachten op Hilversum en Parijs. De NOS zal de persconferentie rechtstreeks in de Nederlandse huiskamers brengen, maar pas na de huldiging van Miguel Indurain op de Champs-Elysées. De Spanjaard heeft die zondag voor de vijfde keer op rij de Tour de France gewonnen. Het is nog geen week nadat de Italiaanse wielrenner Fabio Casartelli in een afdaling in de Pyreneeën in een bocht ten val was gekomen en ter plekke was overleden.

Dat drama was die 18de juli live op tv te zien geweest. De wielergemeenschap was in rouw, om de dood van de 24-jarige renner uit de ploeg van Motorola (mét een jonge Lance Armstrong). Een paar dagen voor Casartelli’s dood waren er tweeduizend kilometer oostwaarts, in en om Srebrenica, ruim 8.000 Bosnische jongens en mannen als honden afgemaakt door de Bosnische-Serviërs, en in massagraven gedumpt. Dat gebeurde buiten beeld en het duurde enige tijd voordat duidelijk was dat het hier ging om de grootste moordpartij in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Apaches en F-16’s

In 1995 schreef ik als parlementair redacteur in Den Haag behalve over volksgezondheid (Plan-Simons voor een basisverzekering) en landbouw (mestoverschot) over defensie, de portefeuille waar mijn ‘Haagse’ collega Willebrord Nieuwenhuis als gevolg van de oorlog op de Balkan zijn handen aan vol had. Ik schreef onder meer over de aanschaf van de Apache, de Amerikaanse gevechtshelikopter waarvoor staatssecretaris Jan Gmelich Meijling in mei van dat jaar zijn handtekening had gezet en waarmee de Nederlandse luchtmobiele brigade (waarvan Dutchbat onderdeel was) op wat langere termijn aanzienlijk versterkt zou worden.

Ik maakte in diezelfde meimaand in New Mexico een reportage over een Nederlandse luchtverdedigingseenheid die met Amerikaanse en Duitse collega’s meedeed aan een internationale oefening in de woestijn, met Hawk-raketten, Patriots en Stingers. Diezelfde trip gevolgd door een reportage in Texas over de midlife-update van de F-16; een aantal Europese NAVO-landen waaronder Nederland liet zijn gevechtsvliegtuigen bij fabrikant Lockheed een grote beurt geven, zodat het toestel – vooral voorzien van nieuwe elektronica – nog een paar decennia mee zou kunnen – 25 jaar na dato vliegen ze nog steeds. Buiten de immense productiehal van Lockheed zagen we nog een indrukwekkende demonstratie van wat die F-16 allemaal kon. Het jachtvliegtuig deed alles, behalve schieten en bommen gooien: loopings, en recht omhoog de lucht in tot hij uit het zicht verdwenen was.

Wat zou de bevolking van Srebrenica én Dutchbat dat toestel graag tegen de troepen van generaal Mladic in actie hebben gezien. De enige gevechtsvliegtuigen die ze in Srebrenica zagen én vooral hoorden bombarderen, al in 1992 voordat het gebied een ‘safe area’ werd, waren Russische Migs van het Servische leger.

Een Nederlandse F-16 (nog zonder midlife-update) kwam rond de val van Srebrenica niet veel verder dan een beschieting op 11 juli met onbekend resultaat. Toenmalig luchtmachtpilote Manja Blok vertelde er eerder deze maand op tv over in het adembenemende Srebrenica-door-de-ogen-van-Dutchbat-drieluik van Coen Verbraak. Srebrenica werd die dag overrompeld door de Bosnische Serviërs onder leiding van Mladic; de Nederlandse blauwhelmen stonden er met hun lichte wapens bij en keken ernaar, te midden van vele duizenden vluchtelingen.

Lees ook: ‘Toen ik mijn zoontje hoorde lag ik jankend in mijn viertonner’

Op vrijdagavond 14 juli belde een collega van de buitenlandredactie: of ik tijd en zin had om de volgende dag naar Zagreb te gaan. Ik was net een paar dagen terug van een reportage in Spanje, in de buurt van Zaragoza, bij het bataljon van de luchtmobiele brigade dat als Dutchbat II tot januari van dat jaar in Srebrenica was geweest. De Nederlandse militairen hadden in de Spaanse heuvels een al lang geplande oefening gehouden in het bevrijden van gijzelaars.

Gegijzeld door Mladic

Hoe ironisch: op dat moment werden tientallen collega’s van Dutchbat III in Bosnië gegijzeld door Mladic. Als ‘wisselgeld’ voor de Bosnische Serviërs; bij een luchtaanval dreigde Mladic de blauwhelmen te doden. Wat het Nederlandse kabinet (Kok I) betrof stond de veiligheid van Dutchbat voorop, niet die van de vluchtelingen. Van een serieuze aanval van VN-troepen om de opmars van de Bosnische Serviërs te stuiten kwam het dus niet.

Zaterdag 15 juli ging ik op weg naar Zagreb, in plaats van naar North Sea Jazz om daar voor het eerst James Brown te zien. ’s Middags zat ik met collega-journalisten in Camp Pleso bij de Kroatische hoofdstad waar de inmiddels 55 vrijgelaten Dutchbatters bijkwamen van hun gijzeling voordat ze terug zouden vliegen naar Nederland. Eén vastgehouden Nederlandse militair had toestemming om in het Holland Huis op Camp Pleso met de pers te praten: alleen maar om te zeggen dat hij niets mocht zeggen, behalve dat de gevangenschap „positieve en minder positieve momenten” had gekend.

Later die middag zagen we ook hoe die plaatsvervangend commandant van een antitankpeloton zijn mannen in het Holland Huis bijeenriep voor een aantal huishoudelijke mededelingen: de blauwhelmen moesten hun wapennummer opgeven, als onderdeel van de administratieve afhandeling van het inpikken door de Bosnische Serviërs van hun wapens, en per persoon moesten ze nog 25 Duitse mark terugbetalen aan de leiding. Navraag leerde dat de gijzelnemers op de valreep nog ‘boodschappen’ voor de Nederlanders hadden gedaan. ‘Degenen die de Nederlanders enkele dagen tevoren nog hadden aangevallen, zorgden ervoor dat de blauwhelmen het oorlogsgebied met sigaretten, drank en snoep konden verlaten’, schreef ik met een ongemakkelijk gevoel in mijn verslag voor NRC Handelsblad van maandag 17 juli.

Generaal Ratko Mladic (links) drinkt met Thom Karremans (tweede van rechts) in Potocari op 12 juli 1995.

Op dat moment was niet bekend dat het grootste deel van Dutchbat – ruim driehonderd militairen – pas later die week (vrijdag 21 juli) uit Srebrenica zou mogen vertrekken. In de tussentijd bezocht ik aan de Kroatische kust in de buurt van Split een eenheid van ruim 150 Nederlandse mariniers en een twintigtal landmachtmilitairen die daar tussen de toeristen aan de Adriatische Zee al enige tijd wachtten op toestemming om naar Bosnië-Herzegovina te gaan, als onderdeel van een ‘snelle reactiemacht’ van de VN.

Nooit had ik van dichtbij over oorlog geschreven en slechts één keer was ik in de buurt van oorlogsgebied geweest. Dat was in augustus 1992 tijdens een trip naar Bosnische vluchtelingen in Kroatië, vlak nadat de wereld de schokkende beelden had gezien van sterk vermagerde moslim-gevangenen in een Servisch concentratiekamp. Dat betrof een reportage over ambtenaren van de ministeries van Defensie en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) op bezoek bij Bosnische vluchtelingen; 1.500 van hen zouden in verschillende kampen worden geselecteerd voor opvang in Nederland. We waren in Karlovac, een stad op ongeveer vijftig kilometer van het Kroatisch-Servische front, en zagen er geen huis zonder kogelgaten of inslagen van mortiergranaten.

Geen gevaarlijke dingen doen, luidde toen de nadrukkelijke instructie van de hoofdredactie. Met Raymond van den Boogaard hadden we immers al een oorlogsverslaggever op de Balkan. Dus toen er een granaat ontplofte vlak bij die Nederlandse ambtelijke delegatie, tijdens een bezoek aan een ziekenhuis in Slavonski Brod, bij de grens met Bosnië, was ik daar niet bij. NOS-verslaggever Tim Dekkers kwam ’s avonds terug met een oorlogssouvenir: een scherf van die granaat.

Bij de slagboom

Vrijdagochtend 21 juli reed ik met Algemeen Dagblad-verslaggever Karel Bagijn in een huurauto Dutchbat tegemoet. Ongeveer 160 VN-witte voertuigen, een paar honderd Nederlandse militairen en een groep gewonde Bosnische vluchtelingen waren die vrijdagmiddag rond twaalf uur vertrokken uit de compound in Potocari. Volgens de laatste berichten zou het konvooi van ruim 300 mannen en vrouwen van commandant Karremans in de loop van die avond de grens van Servië met Kroatië overgaan. Defensie in Den Haag noch het VN-hoofdkwartier in Zagreb wilde vertellen welke grensovergang tussen Kroatië en Servië de blauwhelmen zouden nemen. De kans leek het grootst dat de blauwhelmen bij Lipovac de grens zouden overgaan, bijna 300 kilometer ten oosten van Zagreb.

Lees ook: Dutchbat heeft amper gruwelen gezien

Op de E70, de snelweg tussen Zagreb en Belgrado, was er nauwelijks verkeer. Tussen Kutina en Novska haalden we een paar witte vrachtwagens van de VN in, bij Novska stonden Kroatische militairen met hun tank langs de weg, aan de andere kant van de snelweg een in een eerdere fase van de oorlog kapotgeschoten benzinestation. Angstig leeg en stil was het in dit deel van Kroatië, vooral waar de snelweg net boven de grens met Bosnië-Herzegovina loopt, evenwijdig aan de rivier de Sava. In die onheilspellende omgeving schrok ik me dood toen Bagijn, die met rechts stuurde en met zijn linkerarm op het open raam rustte, met zijn vrije linkerhand een harde klap op het dak van de auto gaf.

In Zupanja, aan de Sava en niet ver van onze eindbestemming, checkten we in voor één nacht, in Motel Rastovica, waar ook een Kroatische politiepost was gevestigd. Mooi weer maar nauwelijks mensen op straat. We liepen er een jongen van een jaar of twaalf tegen het lijf, in een (uit)shirt van Ajax, twee maanden eerder winnaar van de Champions League. Waar hij dat shirt had gekocht? Daar, wees hij, in die sportzaak tussen het gemeentehuis en de bank, die beide met planken waren gebarricadeerd – minimale bescherming tegen kogels en mortiervuur enige tijd geleden vanaf de andere kant van de rivier.

Halverwege de middag arriveerden we bij de grensovergang met Servië bij Lipovac, 25 kilometer verderop. Aan elke kant van de weg een witte container die dienstdeed als kantoortje, met een rood-gele slagboom tussen die blokkendoosjes van de Kroatische politie. Daar troffen we aan behalve verslaggevers van De Telegraaf en RTL een witte VN-Jeep met twee waarnemers, afkomstig van hun basis in de buurt. De Noor en de Tsjech vertelden dat op ongeveer 600 meter achter deze Kroatische grenspost, in het bos, „de Serviërs” zaten. Even later een onverwacht tafereel: een ouder Frans stel meldde zich, toeristen, met een verouderde kaart van het gebied. Ze vroegen de weg naar Belgrado en reageerden verrast dat hier noodgedwongen hun reis richting Servië was geëindigd, en maakten rechtsomkeert.

Intussen liet de kolonne Dutchbatters op zich wachten. Vooral tot ergernis van de collega’s van AD en De Telegraaf (mét fotograaf). Ze hadden een vroege deadline voor hun zaterdagkrant. NRC Handelsblad als middagkrant daarentegen ‘zakte’ pas diep in de nacht. Om onze verhalen door te bellen waren we allemaal aangewezen op de telefoons in het motel annex politiepost in Zupanja, want deze reportage speelde zich af nog voordat journalisten de beschikking hadden over een mobiele telefoon – in mijn geval vanaf de Elfstedentocht in januari 1997.

Kogelvrij vest

Rond zeven uur, er waren inmiddels twee Kroatische militairen gearriveerd, trokken Kroatische agenten bij de grenspost een kogelvrij vest aan, en nog geen half uur later kwamen twee auto’s met Zweedse VN-marechaussees in de verte over de weg uit het bos tevoorschijn. Eenmaal uitgestapt lieten de Zweden weten dat het Nederlandse konvooi in aantocht was. Frustrerend voor het RTL-trio onder aanvoering van verslaggever Jaap van Deursen: er mocht bij de grenspost niet worden gefilmd, ook niet na aankomst van de blauwhelmen, een aantal gewonde vluchtelingen, tolken en hulpverleners, onder meer van Artsen zonder Grenzen.

Ongeveer een kwartier nadat de eerste voertuigen waren gearriveerd, noteerde ik aan de slagboom de eerste quote van Dutchbatcommandant Thom Karremans – in mijn aantekeningen aangeduid als T.J.P. Karremans, zoals dat op zijn uniform in zwarte letters stond vermeld. Op de vraag hoe de reis vanuit Srebrenica was verlopen, antwoordde hij: „Goed. Een beetje oponthoud, maar dat is normaal in dit land.” In Servië waren ze volgens Karremans „keurig begeleid”. „Op elk kruispunt stond een agent.” In mijn spiraalblocnote gevolgd door een losse aantekening: Goedgemutst – als een karakterisering van zijn gemoedstoestand. Deze dag was voor Dutchbat na een half jaar in Srebrenica het begin van het einde van de oorlog.

Ward op den Brouw in het motel annex Kroatische politiepost in Zupanja, met een onbeheerde kalasjnikov. Foto uit privécollectie

Karremans en een tolk probeerden de Kroatische grenswachten duidelijk te maken met hoeveel mensen ze waren. Dat was het begin van een bijna vier uur lange demonstratie van bureaucratie van de kant van de Kroaten. De collega’s van AD en De Telegraaf moesten hun lezers laten weten dat het bataljon veilig uit Srebrenica terug was, en stapten al snel in hun auto’s naar het motel in Zupanja, om hun reportage door te bellen. Nog een voordeel voor NRC: deze avond geen spoor van het verslaggeversteam van de NOS en de ‘conculega’ van De Volkskrant, en dit was voorlopig de laatste dag dat er in de buurt van de blauwhelmen geen voorlichter van Defensie actief was. Dus was er alle tijd om vrijuit met Dutchbatters te spreken.

Lees ook: Sympathie voor Serviërs bij Nederlandse militairen

Van hoog tot laag waren Dutchbatters daar aan de slagboom bij Lipovac opvallend positief over de Serviërs en negatief over de moslims. Dat zou de volgende dag ook generaal Hans Couzy opvallen bij het verwelkomen van zijn manschappen, waarbij hij in het gezelschap verkeerde van premier Wim Kok, Defensieminister Joris Voorhoeve, een viertal Tweede-Kamerleden, prins Willem-Alexander en het Fanfarekorps der Genie in Vught.

„In het bataljon bestaat de euforische opvatting dat de Serviërs de good guys zijn. Dat gevoel bestaat van hoog tot laag”, zei Couzy. „Ik ben erg van die zwart-witopvatting geschrokken.” Die sympathie voor de agressor was ook de rode draad in het artikel dat ik na middernacht in het motel in Zupanja na een lift van de collega’s van RTL naar de redactie doorbelde – al uitgeschreven in het licht van een schijnwerper bij de Kroatische grenspost, in het gezelschap van miljoenen muggen.

Good guys en bad guys

In het voorpaginastuk van NRC Handelsblad van zaterdag 22 juli, onder de kop ‘Dutchbat heeft amper gruwelen gezien’ voerde ik een chirurg op, kolonel Hegge, die niks dan lof voor de Bosnische Serviërs had: „Daar wil ik geen verkeerd woord over zeggen. Enkele keren lieten de Bosnische Serviërs op Nederlands verzoek waterwagens aanrukken voor de vluchtelingen die bij 35 graden Celsius tegen elkaar aangedrukt stonden. De Serviërs brachten bij wijze van goed gebaar ook nog wat broden voor de vluchtelingen. Kortom, ze hebben zich correct en gedisciplineerd gedragen.” Om ook nog eens te benadrukken dat „een groot deel” van de verhalen van de moslim-vluchtelingen „schromelijk overdreven is”.

En toen moest de persconferentie van Karremans nog beginnen, met zijn kijk op het eindspel van de oorlog op de Balkan en zijn veelbekritiseerde oordeel dat „de partijen in Bosnië niet kunnen worden verdeeld in good guys en bad guys”.

Endgame is ook de titel van het boek dat David Rohde in 1997 over de val van Srebrenica schreef. Een jaar eerder was de Amerikaanse journalist voor zijn reportage over de oorlog in Bosnië al bekroond met de prestigieuze Pulitzer-prijs. Hij zag als een van de eersten de bewijzen van genocide in de buurt van Srebrenica, en werd daar kort na het vertrek van Dutchbat nog enige tijd gevangengehouden door de Bosnische Serviërs. In Endgame: The Betrayal and Fall of Srebrenica, Europe’s Worst Massacre Since World War II doet hij ook uitvoerig verslag van de rol van machteloos Dutchbat. De Brits-Iraanse CNN-televisieverslaggever Christiane Amanpour schreef later over dat boek dat generaal Mladic en de Serviërs in de oorlog op de Balkan „zo sterk konden zijn omdat Europa, de VS en de VN zwak waren” en dat Srebrenica daar met bloed voor betaalde.

Vijfentwintig jaar na de val van Srebrenica zit Ratko Mladic in het eindspel van zijn proces voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, waar hij al bijna tien jaar gevangen wordt gehouden. Op 25 en 26 augustus dient het hoger beroep tegen de levenslange gevangenisstraf wegens volkerenmoord, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden die hem in 2017 werd opgelegd. Dat zou ‘al’ in maart van dit jaar gebeuren, maar toen liet Mladic’ gezondheid dat niet toe.

Nabestaanden van slachtoffers van Srebrenica wachten intussen op een schadevergoeding, nadat de Hoge Raad een jaar geleden oordeelde dat de Nederlandse regering deels verantwoordelijk is voor de dood van 350 moslimmannen die hun toevlucht hadden gezocht op de compound van Dutchbat en daar werden weggestuurd, hun dood tegemoet.

Lees ook: Chronologisch overzicht van de oorlog in het voormalige Joegoslavië 1991-2020