Pensioenfondsen herstellen zich, maar blijven in gevarenzone

Kwartaalcijfers De vier grootste fondsen profiteerden afgelopen maanden van een hoog aandelenrendement. Maar ze staan er nog steeds slecht voor.

Foto Jeroen Jumelet / ANP

Langzaam zien pensioenfondsen hun financiële positie verbeteren. Maar nog steeds bevinden de vier grootste fondsen zich in de gevarenzone. De kans dat zij volgend jaar het pensioen van miljoenen Nederlanders moeten verlagen blijft groot.

Ambtenaren- en onderwijsfonds ABP en zorg- en welzijnfonds PFZW hebben beide zo’n 15 procent te weinig geld in kas om alle toekomstige uitkeringen te kunnen garanderen, blijkt uit dinsdag gepresenteerde kwartaalcijfers. Hun zogeheten dekkingsgraad was eind maart rond de 85 procent. De metaalfondsen PMT en PME doen het iets beter. Zij hebben een dekkingsgraad van rond de 90 procent.

Bijna acht miljoen werknemers en gepensioneerden hebben (een deel van) hun pensioen ondergebracht bij deze vier grootste fondsen. Op Oudejaarsdag moet hun dekkingsgraad boven de 90 procent uitkomen. Als dat niet lukt, moeten de fondsen de uitkering van gepensioneerden én de opgebouwde pensioenaanspraken van werknemers verlagen.

Kritiek van DNB

Die kortingsgrens is al meerdere keren versoepeld door minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66). Vorig jaar juni beloofde hij dat fondsen die er langdurig slecht voorstaan pas moeten korten als hun dekkingsgraad onder de 100 procent zakt, in plaats van 104,3.

In november ging Koolmees een stap verder: fondsen mochten hun pensioenverlaging een jaar doorschuiven, onder één harde voorwaarde: hun dekkingsgraad mocht niet onder de 90 procent komen. Anders moest er alsnog gekort worden. Diezelfde regel geldt eind dit jaar, maakte Koolmees deze maand bekend.

Lees ook: Waarom pensioenen korten zo moeilijk is voor politici

Toezichthouder De Nederlandsche Bank keerde zich vorig najaar tegen het herhaaldelijk uitstellen van pensioenverlagingen. „Het vooruitschuiven van kortingen betekent dat die rekening blijft staan”, zei president Klaas Knot. „Die gaat dan richting jongere generaties.” Koolmees zette door omdat hij tegemoet wilde komen aan een eis van de vakbonden. Hun steun heeft hij nodig bij een grote aanpassing van het pensioenstelsel tussen 2022 en 2026.

Lees ook: Dit betekent het pensioenakkoord voor jou

Hoog aandelenrendement

Begin dit jaar gingen de dekkingsgraden van pensioenfondsen hard onderuit door een dalende rente en kelderende beurskoersen.

De afgelopen drie maanden leefden de beurzen weer op en profiteerden de fondsen van hoge rendementen, vooral op aandelen. Bij ABP waren die goed voor een rendement van bijna 18 procent. Ook de obligaties van het grootste pensioenfonds stegen in waarde: ruim 3 procent.

Een tegenvaller was de verdere rentedaling. Daardoor moeten pensioenfondsen steeds meer geld reserveren. Eind maart moest PMT 93,5 miljard euro in kas hebben om alle toekomstige pensioenen te kunnen garanderen. Inmiddels heeft het fonds voor onder meer automonteurs en loodgieters daar bijna 4 miljard euro méér voor nodig.

Pensioenfonds PME, dat nu als enige van de vier fondsen een dekkingsgraad nét boven de cruciale 90 procent heeft, waarschuwt dat verlagingen „zeker niet van de baan” zijn. De komende maanden zijn onvoorspelbaar, zegt voorzitter Eric Uijen. „De bewegingen op de rente- en de aandelenmarkt zijn groot. Het zal tot het einde van het jaar spannend blijven.”

Risico op sinking giant

Koolmees wil de kortingsgrens in ieder geval niet nóg verder verlagen, zei hij vorige week in een Tweede Kamerdebat over het pensioenakkoord, omdat hij niet wil riskeren dat fondsen daarna verder wegzakken. „Als je niet naar 90 procent teruggaat”, zei de minister, „is het risico heel groot dat zo’n fonds een sinking giant wordt en dus steeds slechter af is. Dan blijven de werkenden en de jongeren uiteindelijk achter met een tekort – en dat wil ik niet.”

Wel zijn de verlagingen aanzienlijk kleiner, als die doorgaan. Het ABP zou alle pensioenen – op basis van de huidige situatie – met zo’n 5 procent moeten verlagen. Daardoor stijgt de dekkingsgraad van 85 naar de vereiste 90 procent. Zonder versoepeling zou het fonds 15 procent moeten korten, zodat de dekkingsgraad weer 100 procent wordt.

Voor gepensioneerden en oudere werknemers – die al veel pensioen hebben opgebouwd – is dat een groot verschil, laat een rekenvoorbeeld zien. Iemand met een aanvullend pensioen van 800 euro, gaat er zonder versoepeling 120 euro op achteruit en mét versoepeling 40 euro.

Lees ook: Kamer weet: niet te veel morrelen aan moeizaam bereikte pensioenakkoord