Opinie

Laat de neerlandistiek maar ten onder gaan

Marjoleine de Vos

De mens heeft een groot vermogen tot hospitaliseren, ook buiten het hospitaal. Het ‘laat mij maar liggen’-gevoel, of ‘zo gaat het ook best’. Het is iets moois, in een bepaald opzicht, dat vermogen tot aanpassing. Agenda leeg door corona: juist fijn. Niet meer naar het buitenland: geen reisstress. Geen vlees meer eten: met wortelen kun je veel doen.

Maar er zit ook iets anders aan, iets onverschilligs. Niet alles moet zo makkelijk los gelaten worden. Een tijdlang mis je misschien niet wat je ooit zo hoog waardeerde, maar je kunt je ongemerkt ook te veel laten ontglippen.

Dat groenten nergens meer naar smaken, merkt niemand, totdat-ie weer eens iets proeft direct uit de tuin. Hoe je je vrienden wel degelijk gemist hebt, merk je soms pas als je ze weer ziet: die gezichten! Dat je een geestelijk holtedier bent geworden – je voelt het pas als je iets leest dat je werkelijk begeestert. O ja! Zó kon je je voelen.

En dan de dingen die we nooit gekend hebben. Hoe zou je die missen? Wie mist het geluid van de watermolen, de verloren tragedies van Sofokles, kennis van het Sanskriet? Ze zijn er voor de meesten van ons nooit geweest en dus lijkt de wereld heel goed zonder te kunnen. Bart Funnekotter besprak onlangs in deze krant een boek over onbekende, verdwenen volkeren – „Hyksos, Koesjieten, Garamanten, Nabateeërs, Arverni en Hephthalieten” – we hadden ze tot nu toe niet gemist.

Maar als iemand over ze schrijft voel je een frisse, nieuwe nieuwsgierigheid. Wie waren die mensen? Wat deden ze?

Of je voelt niets. Gehospitaliseerd in het eigen, kennisarme hoofd.

Toen ik ooit Nederlands ging studeren, kon ik niet vermoeden dat het indirect object een fascinerend onderwerp zou blijken, of dat ik voor de rest van mijn leven gevormd zou worden door de colleges poëzie-interpretatie, dat ik met plezier de brieven van Bilderdijk aan zijn schoonzuster zou lezen of dankbaar zou zijn voor geleerde onderzoekers als Maartje Draak en Wim Gerritsen die de verdwenen cultuur van het Keltisch en van de Middelnederlandse Arthurromans blootlegden. Er is zo veel wat de wereld interessanter en rijker maakt, wat achter gewone zinnen dieptes blootlegt, en het verleden zijn gloed laat spreiden over het heden. Wist je van niets, dan zag je die rijkdom ook niet. En dan kon het je misschien ook niets schelen dat we arm werden.

Ik slaap. Prima. Laat mij maar liggen. Laat die hele studie Nederlands maar gewoon ten onder gaan. We spreken toch al Nederlands? Laten we ons wat internationaler opstellen.

Hoe zou minister Van Engelshoven daarover denken? Hoe zou de rest van het kabinet denken, als het gaat over het redden van de neerlandistiek?

Dat antwoord is iets té gemakkelijk te geven: ze denken er niet over. Er is een fooitje beschikbaar, honderdduizend euro, dat dan ook nog gedeeld moet worden met andere talenstudies, voor neerlandistiek om ‘mooie plannen’ te maken voor de toekomst – Marc van Oostendorp schreef er woedend over op neerlandistiek.nl. Onze bewindslieden weten niet meer hoe echte wortels smaken, zijn niet nieuwsgierig naar de Hittieten, hebben nooit Leopold gelezen. Ze babbelen een nice little mouth English en kunnen zich niet voorstellen dat het zin zou hebben om de studie Nederlands te redden en te stimuleren.

Wie de rijkdom niet mist, kan zich niet voorstellen dat er alle reden is om ons beroofd te voelen nu we in eigen land amper nog Nederlands (kunnen) studeren. Laat ons maar liggen.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.