Opinie

Bijna vegetarisch

Marcel van Roosmalen

De dochters hadden een nacht bij hun oma en opa Ben gelogeerd, zodat hun ouders naar Rotterdam konden. Toen ik ze de volgende ochtend kwam halen zat ik nog zo vol van Rotterdam dat ik de zonnebril maar ophield.

Vredig tafereeltje.

Ze waren kiezelstenen aan het poetsen, die ze daarna in een blikken trommeltje legden.

Opa Ben controleerde iedere steen.

De logeerpartij was vreedzaam verlopen.

Tijdens de tocht naar huis zei mijn oudste dochter dat opa Ben haar had verteld wat vlees eigenlijk is. Het had diepe indruk gemaakt. In haar hoofd botste van alles, want ze houdt veel van dieren, maar ook van knakworst, bitterballen, worst en gehaktbal. Ze bleef maar vragen of al het vlees van dieren is gemaakt, of ze dieren doodmaken voor vlees en wie dat dan doet.

„De slager laat dat doen”, zei ik.

Even later passeerden we slagerij Tange, bij wie vandalen nog niet zo lang geleden de glazen winkelpui met vuurwerkbommen hadden opgeblazen.

Ik zwaaide.

Erna, zijn assistente zwaaide terug.

„En aan wie vraagt hij dat dan? Aan jou?”

Ik haastte me te ontkennen, nee papa niet.

Ze is nog te emotioneel voor de waarheid, de slager zo’n aardige man, altijd een plakje worst. Soms twee.

Ik raapte haar van de grond, want ze was ter aarde gestort.

„En de groenteboer?”

„Die maakte niets dood.”

Opluchting. We liepen zwijgend door.

Het besef drong door dat dit met een beetje pech weleens het definitieve einde van vlees in huis kon betekenen. Binnen niet al te lange tijd is ze vegetarisch, en haar jongere zuster ook, want die vindt uiteindelijk alles hetzelfde.

Als haar moeder hier lucht van kreeg, kon ze doorpakken, en waarom zou ze dat niet doen? Ik kon de dialoog al wel uittekenen.

„Daarom bakt mama worstjes van groente, en hamburgers van tarwe en rode biet. Net zo lekker, je proeft het verschil niet en alle dieren blijven leven.”

En dan zouden ze daarna iedere avond vol minachting op mijn bord neerkijken en vragen wat ik at, net zo lang tot ik zou zeggen: „Ook een tarweburger, jongens.”

„En een plakje worst?”, vroeg ze, “is dat ook een dood dier?”

Ik knikte.

„Maar geen poes? Ik ga nooit poezen eten!”

Met dat ferme besluit kwam ze de keuken binnen.

Ze stortte zich op onze poezen en daarna op haar moeder en zei dat de poezen niet, maar zij wel naar de slager mocht, want ze hield van plakjes worst.

Dit had zoveel slechter kunnen aflopen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.