Reportage

Gemigreerd uit Korea, geminacht in Japan

Koreanen in Japan Duizenden Koreanen belandden al voor 1945 in Japan. Wegens discriminatie trok een deel later naar Noord-Korea, wat een desillusie werd. Nu eisen de Zainichi rechten voor zichzelf op.

Manabu Ishikawa keerde, in 2001, weer naar Japan terug, aangedaan door de erbarmelijke omstandigheden in Noord-Korea.
Manabu Ishikawa keerde, in 2001, weer naar Japan terug, aangedaan door de erbarmelijke omstandigheden in Noord-Korea. Foto Tanja Houwerzijl

Manabu Ishikawa (61) zit in kleermakerszit op een tatamimat (een rijstmat, red.) in zijn woonkamer en tikt nerveus op de glazen tafel voor hem, met daarop een doos tissues en een volle asbak. Hij woont in Adachi, een van de armste districten van Tokio, en kijkt uit over vervallen flatgebouwen met daartussenin verwaarloosde tuintjes en huisvuil. Af en toe werkt hij als verkeersregelaar – een voorwaarde voor zijn bijstandsuitkering. Verder ziet hij nauwelijks mensen.

Ishikawa is een van de ongeveer 500.000 Zainichi in Japan. Dat zijn (nakomelingen van) Koreanen die zijn gemigreerd tussen 1910 en 1945, toen Japan het Koreaanse schiereiland bezette. Op het hoogtepunt van de bezetting waren er maar liefst 2,3 miljoen Koreanen in Japan. Ze woonden in getto’s en werkten onder andere in de mijnen om de Japanse oorlogsmachine draaiende te houden.

Veel Zainichi hebben tegenwoordig te kampen met discriminatie door nationalistische Japanners. Als Noord-Korea negatief in het nieuws is, zetten de Zainichi zich schrap, omdat nationalistische groeperingen dat kunnen aangrijpen om hen in een kwaad daglicht te stellen. Mensen als Ishikawa heeft het schuw gemaakt. Veel Zainichi proberen hun Koreaanse identiteit te verbergen.

Sinds deze maand is hun positie een klein beetje verbeterd, al is het alleen in Kawasaki, waar veel Zainichi wonen. Vanaf 1 juli is daar, als eerste stad in het land, discriminatie strafbaar gesteld. Aanleiding voor de wetgeving waren de vele racistische incidenten in de stad.

Lees ook: Gastarbeiders in Japan eisen veilig werk

Die racistische behandeling was in de jaren na de Tweede Wereldoorlog nog erger. Japan zit in zijn maag met de Zainichi, schrijft historicus Tessa Morris-Suzuki in haar boek Exodus to North Korea, waarin zij hun lot beschrijft. Hun aanwezigheid was een pijnlijke herinnering aan een verloren oorlog en een potentiële bron voor onrust. Japan nam maatregelen die erop duidden dat ze niet langer welkom waren. In 1952 raakten de Zainichi hun Japanse nationaliteit kwijt, en daarmee de toegang tot sociale voorzieningen als goedkope huisvesting, bijstand, zorg en pensioenen. Op den duur had nog maar een vierde van de Zainichi werk.

Manabu Ishikawa. Foto Tanja Houwerzijl

Hoop op een beter leven

In totaal 87.000 Zainichi besloten Japan te verlaten, in de hoop op een beter leven. Hoewel zo’n 97 procent van de Zainichi oorspronkelijk uit het zuiden van Korea kwam, voelde ongeveer de helft meer affiniteit met het nieuwe socialistische project in Noord-Korea, dat ontstond na de opsplitsing van het schiereiland in 1945. „De droom van een socialistische utopie was toen geloofwaardiger dan nu”, schrijft Morris-Suzuki hierover.

Ishikawa nam de stap in 1972, samen met zijn zus. Hij neemt het haar achteraf niet kwalijk, vertelt hij in zijn appartement in Tokio, maar zij was de drijvende kracht achter hun vertrek naar Noord-Korea. Zij was lid van de pro-Noord-Koreaanse organisatie Chongryon en geloofde heilig in de propaganda. Niet alleen de bootreis zou gratis zijn, maar ook huisvesting, onderwijs, eten en zorg. „Naar Noord-Korea gaan was in haar ogen de ultieme vorm van vaderlandsliefde.”

Op het hoogtepunt van de bezetting leefden 2,3 miljoen Koreanen in Japan

Achteraf waren er signalen dat de rooskleurige verhalen niet klopten, vertelt Ishikawa. In de haven van Niigata waarschuwden vrouwen van nota bene Chongryon hem voor de aankomende ellende. „Ze adviseerden ons dure spullen mee te nemen, zoals Seiko-horloges. ‘Het zal je daar helpen te overleven’, hadden ze gezegd.” Het mocht niet baten, zijn zus was onvermurwbaar. „Ik was liever in Japan gebleven”, zegt Ishikawa, „maar ik dacht: als het zo erg is als sommigen beweren, moet ik ook maar lijden en solidair zijn.”

De erbarmelijke omstandigheden in Noord-Korea kwamen als een grote schok voor Ishikawa, die zich de stank en versleten kleding nog goed kan herinneren. „Het was er tussen de -30 en -40 in de winter. Er was geen lopend water en ook geen toilet, de kimchi bevroor al in november.”

Meestal trouwden repatrianten met elkaar, maar Ishikawa vond een Noord-Koreaanse vrouw. Zijn zus slaagde er niet in een leven op te bouwen. Ze voelde zich schuldig en was extreem teleurgesteld dat het paradijs niet bestond. Ze kreeg psychische problemen, wat veel voorkomt onder Zainichi in Noord-Korea, en kwam in een instelling terecht. Ishikawa laat een stilte vallen: „Daar is ze in 1991 overleden.”

Hongersnood was de druppel

Voor Ishikawa was de hongersnood van de jaren negentig de druppel. De toenmalige machthebber Kim Jong-il, vader van de huidige leider, had grote veranderingen ingezet. „Hij stopte met het distribueren van voedsel en uitbetalen van salarissen, hij was alleen maar bezig met het ontwikkelen van kernwapens. Honderdduizenden mensen verhongerden, ik zag lijken op straat liggen”, herinnert Ishikawa zich.

In 2001 ontsnapte hij, een jaar later was hij terug in Japan. Later volgden zijn vrouw en twee kinderen. „Zij hebben toen tien jaar in Japan gewoond, maar konden er niet aarden. Sinds vier jaar wonen ze in Zuid-Korea. We zijn uit elkaar en ik spreek ze slechts sporadisch. Ik slaap slecht, meestal ga ik dronken naar bed.”

Ishikawa probeert nu met een kleine groep andere Zainichi aandacht te vragen voor de rol van de Japanse overheid bij de migratie van tienduizenden landgenoten naar Noord-Korea. Een van hen is Eiko Kawasaki (77), die in 1960 op zeventienjarige leeftijd naar Noord-Korea vertrok en in 2003 wist te ontsnappen. Ze is direct voor Japanse begrippen, blijkt tijdens een gesprek in een café in Tokio. Zodra haar kinderen ter sprake komen – vier van de vijf wonen nog in Noord-Korea – veert ze op uit haar stoel: „Het kan me geen moer schelen wat er met mij gebeurt, maar ik maak me zorgen om hun veiligheid.”

Eiko Kawasaki (boven) was zestien jaar oud toen ze in 1960 Japan verruilde voor Noord-Korea. Ze ontsnapte weer in 2003.
Foto Tanja Houwerzijl
Foto Tanja Houwerzijl
Foto Tanja Houwerzijl
Eiko Kawasaki was zestien jaar oud toen ze in 1960 Japan verruilde voor Noord-Korea. Ze ontsnapte weer in 2003.
Foto Tanja Houwerzijl

De Japanse regering heeft de massa-migratie laten gebeuren, terwijl er signalen waren dat het leven in Noord-Korea ronduit slecht was, stelt Kawasaki. De regering deed niets toen Chongryon de Zainichi-gemeenschap met onwaarheden enthousiasmeerde voor het ‘paradijs op aarde’. Japan faciliteerde de reis tot aan de haven van Niigata, daarna nam het Rode Kruis het over.

Kawasaki vindt dat Noord-Korea, Japan, Chongryon, en de Noord-Koreaanse, Japanse en internationale afdelingen van het Rode Kruis allemaal schuld hebben aan het tragische lot van de Zainichi. „Zij hebben mensenrechten geschonden”, oordeelt Kawasaki.

In 2018 heeft zij met Ishikawa en drie andere vluchtelingen de Noord-Koreaanse overheid aangeklaagd bij de rechtbank van Tokio. Ze eisen ieder een schadevergoeding van 100 miljoen yen (iets meer dan 800.000 euro) voor mensenrechtenschendingen. Een uitspraak laat nog op zich wachten.

‘Aannemelijk dat Japan ervan wist’

Kawasaki heeft brieven in haar bezit die de eerste repatrianten vanuit Noord-Korea naar familie in Japan stuurden en waarin zij vertelden over de moeilijke leefomstandigheden in Noord-Korea. „Het is inderdaad aannemelijk dat de Japanse autoriteiten hier [destijds] meer van afwisten”, beaamt Kanae Doi, directeur van Human Rights Watch in Japan.

Verder heeft Kawasaki haar hoop gevestigd op Nihon Bengoshi Rengokai, een advocatenvereniging die mensenrechtenschendingen onderzoekt. De vereniging probeert te bepalen welke rol Japan, Noord-Korea, Chongryon en het Rode Kruis speelden bij de repatriëring én of hen iets te verwijten valt. „Ik wil dat deze partijen erkennen dat ze hebben meegeholpen en dat dat een fout was. En dat de internationale gemeenschap druk uitoefent op Noord-Korea om Zainichi vrij te laten reizen tussen Noord-Korea en Japan.” Dan zouden Kawasaki’s kinderen zich ook in Japan kunnen vestigen.

Veel Koreanen in Japan probeerden hun identiteit te verbergen

Haar levensverhaal laat, net als dat van Ishikawa, zien hoe deze loop van de geschiedenis families heeft verscheurd. „Mijn ouders gingen niet mee naar Noord-Korea”, vertelt ze. „Ze waren het niet eens met mijn besluit, maar ik kon niet langer aanzien hoe we werden gediscrimineerd in Japan.”

Meteen bij aankomst zag ze de armoede op de kade. „Zainichi riepen vanaf de kant dat we moesten omkeren, maar daarvoor was het al te laat.” Ze probeerde er toch het beste van te maken, had het geluk bouwkunde te mogen studeren en werkte als ingenieur. Later trouwde Kawasaki met een Noord-Koreaanse man en kreeg vijf kinderen.

Omdat het Noord-Koreaanse leiderschap bang was dat Zainichi kapitalistische ideeën verspreidden, werden ze geregeld vervolgd. „Praten over politiek, zelfs in de privésfeer, was gevaarlijk. Mijn kinderen werden gehersenspoeld.”

Kawasaki ontsnapte in 2003 uit Noord-Korea, terug naar Japan. Haar man was inmiddels overleden. Haar kinderen wilde ze niet bij haar vluchtpoging betrekken, te gevaarlijk, vertelt ze. De enige manier om Noord-Korea te veranderen, dacht Kawasaki, is door de buitenwereld te vertellen over haar leven.

Lees ook dit interview met een Nederlandse Koreaveteraan