Reportage

Sint Maarten kijkt ineens jaloers naar Saint-Martin

Antillen De grens tussen Sint Maarten en Saint-Martin is niet meer dan een stippellijntje op de kaart. Maar sinds de coronacrisis loopt er een harde scheidslijn over het eiland. „Je bent nu beter af aan Franse kant. Veel beter.”

Grensovergang tussen Sint Maarten (voor) en Saint-Martin. Het Nederlandse deel was na orkaan Irma weer eerder in bedrijf, nu in de coronacrisis zorgt Frankrijk beter voor de inwoners, vinden velen.
Grensovergang tussen Sint Maarten (voor) en Saint-Martin. Het Nederlandse deel was na orkaan Irma weer eerder in bedrijf, nu in de coronacrisis zorgt Frankrijk beter voor de inwoners, vinden velen. Foto Tim van Dijk

‘Onbegrijpelijk!” Franck Vuillemin gooit zijn handen in de lucht, boven zijn gebruinde blote bast. Hij heeft dan al verteld hoe zwaar alle bewoners van Sint Maarten zijn getroffen door de coronapandemie en hoe goed zijn helft van het Caribische eiland, Saint-Martin, de extra geldstroom kan gebruiken die nu vanuit Frankrijk over de oceaan vloeit.

Dit is wat Franck Vuillemin, topchef in een luxe restaurant dat een paar palmbomen verderop in de baai van Grand-Case vis en dure wijnen opdist, niet begrijpt: terwijl Frankrijk op alle fronten bijspringt om de ene helft van het eiland door de crisis te trekken, wil Nederland voor de andere helft van zulke gulheid niets weten. De verbazing klinkt door in zijn stem: „Voelen jullie je dan niet verantwoordelijk?”

Een grens is wat je ervan maakt. Weinig bijzonders, in het geval van Sint Maarten/Saint-Martin. Een stippellijntje op de kaart en bij elke grenspost een monument met wapperende vlaggetjes langs de weg. Geen bewakers, geen stempelzetters, zelfs geen hobbel in het asfalt. Vaak moet je zoeken om te zien waar het Koninkrijk der Nederlanden eindigt en Frankrijk begint.

Totdat het crisis is. Dan wordt alles anders. Want Saint-Martin mag dan een beetje autonomie genieten, het blijft Frans grondgebied. Sint Maarten daarentegen is net als Curaçao en Aruba een zelfstandig land binnen het Koninkrijk. Saint-Martin stemt mee voor de Franse en Europese verkiezingen. Sint Maarten heeft een eigen premier, een eigen kabinet, een eigen nationaal parlement en eigen ministeries met hun eigen secretarissen-generaal. Op Saint-Martin waait de Franse driekleur, Sint Maarten voert zijn eigen vlag.

Nu het coronavirus het Caribische cruisetoerisme heeft uitgeschakeld en de eilandeconomieën in de regio in een crisis heeft gestort, betekent dat een wereld van verschil. Wie aan de Franse zijde woont, wordt royaal geholpen vanuit Parijs. De 40.000 bewoners aan Nederlandse zijde – het officiële inwonertal, vanwege het grote aantal illegalen ligt het feitelijke cijfer dichter bij de 60.000 – moeten het zelf rooien.

Lees ook Voor Curaçao is corona een crisis te veel

Van Nederland kreeg Sint Maarten wel het aanbod rentevrij geld bij te lenen om zichzelf te bedruipen. Maar daar moesten ingrijpende hervormingen tegenover staan. Die waren zo veeleisend dat Sint Maarten vorige week, net als Curaçao en Aruba, de nieuwste voorwaarden afwees. En zo is de Sint Maartense regering, zonder deal met Nederland, op zichzelf aangewezen.

Buren sinds 1648

Tien kilometer lang is de grens die Saint-Martin scheidt van Sint Maarten en aan beide zijden doen ze wat buren op elke plek ter wereld doen: ze kijken naar elkaar. Wie heeft het beter voor elkaar? Waar is het beter wonen? Wiens tuin ligt er het mooiste bij?

Zo gaat het al sinds 1648, toen Nederland en Frankrijk het eiland in tweeën deelden, maar „als vrienden en bondgenoten” afspraken dat de grens geen belemmering voor de handel mocht vormen. Nadat Frankrijk in 1848 de slavernij afschafte, kon het Nederlandse eilandbestuur niet anders dan dat voorbeeld te volgen: anders, zeiden de slaven, steken we gewoon de grens over.

„Je bent nu beter af aan de Franse kant”, zegt Philippe Mirade beslist. „Veel beter.’’ Met zijn taxi zoeft Mirade elke dag zoals zoveel eilanders voor zijn werk de grens over, op en neer, maar hij woont op Franse bodem. Dat scheelt nogal: van de Franse regering krijgt hij elke maand 1.700 euro op zijn rekening gestort. „Normaal zou ik met mijn werk zeker 2.000 euro verdienen, maar het is tenminste iets. De taxichauffeurs die ik ken aan de Nederlandse kant hebben nog niets gezien.’’

De inwoners van Saint-Martin kregen alle ondersteuning die hun landgenoten op het Franse vasteland ook kregen: inkomenssteun, een tegemoetkoming voor ouders die hun kinderen noodgedwongen thuis moesten opvangen, korting op of kwijtschelding van de huren.

Zo niet Sint Maarten. Dat heeft een eigen economisch hulpprogramma opgetuigd, maar het bereikt lang niet iedereen en het geld raakt op. Vandaar dat de regering onderhandelde met Nederland over een snelle lening. Nu die deal is afgeketst, is de uitvoering nog onzekerder geworden.

Vroeger waren de Fransen jaloers

Het voelt onwennig. De afgelopen jaren keken juist de Fransen van Saint-Martin met jaloezie over de schutting. Van de economische bloei die het eiland na de eeuwwisseling meemaakte, wist vooral de Nederlandse helft te profiteren. Ondernemers verhuisden hun handel van Marigot, de hoofdplaats van de Franse zijde, naar Simpson Bay, aan de Nederlandse kant. Door lagere belastingen en minder regelgeving groeiden de twee helften nog verder uit elkaar.

En toen kwam Irma. De tropische cycloon richtte op het eiland bijna drie jaar geleden een gigantische ravage aan, zonder oog voor de grens. Maar terwijl Sint Maarten in rap tempo en met Nederlandse hulp afrekende met de grootste berg verwoesting die de orkaan achterliet, bleef het in Saint-Martin nog lange tijd een rotzooi van verwrongen wrakken, kapotte huizen en slecht begaanbare wegen.

Lees ook De gespleten wederopbouw op één eiland

Aan beide kanten valt nog veel te herbouwen, maar vooral de Franse opruimoperatie bleef steken in bureaucratie. Dat krijg je ervan, vertellen betrokkenen, als elke nieuwe put of waterleiding vanuit Parijs moet worden goedgekeurd.

Eind vorig jaar konden de Franse eilanders het trage tempo van de wederopbouw niet langer aanzien. Boze bewoners trokken uit onvrede de straten op en stichtten brandjes. De oproerpolitie kwam eraan te pas en zette traangas in. Aan de Nederlandse kant bleef het rustig.

Maar sinds het begin van de coronacrisis zijn de rollen omgedraaid. Nederland zorgde in de vorige crisis dan misschien wel beter voor de wegen en huizen, de Fransen zorgen nu de nood opnieuw hoog is beter voor de mensen. „Het is de omgekeerde wereld”, zegt Philippe Mirade.

Zwaar gehavend

Dat Sint Maarten zo zwaar gehavend uit de pandemie komt – het IMF voorspelt een economische krimp van 25 procent – roept de vraag op of het land wel toekomstbestendig is. Sinds 2010 heeft Sint Maarten een eigen status verworven binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Maar om toegang tot hulp uit Den Haag te krijgen, moet het opnieuw kiezen: om geld te mogen lenen, zal het een deel van de autonomie weer moeten inleveren. „Kwalijk”, vindt Ray Alexandre die houding van Nederland.

Alexandre – conciërge, met een gouden oorbelletje en een rood-wit-blauw basketballshirt – drinkt een biertje in een groezelig straatje in Cole Bay, een goed verstopte buurt ingeklemd tussen de voornaamste rondweg en de Caribische zee. Het gebrek aan verbondenheid dat chef Franck Vuillemin zijn handen deed heffen, is ook hem opgevallen.

„We zijn een land op een oppervlak van 34 vierkante kilometer. Bijna iedereen is afhankelijk van het toerisme en zit op dit moment zonder inkomsten. De politici hier zijn rookies zonder veel ervaring. Daar mogen Rutte en [staatssecretaris] Knops wel wat meer begrip voor hebben.”

Maar wat dan? In onafhankelijkheid, zoals sommige politici opnieuw bepleiten, ziet Alexandre weinig. Het zou een dure aangelegenheid worden: een eigen diplomatiek apparaat, nóg meer kostbare staatsinstellingen. En het huidige systeem geeft hem al weinig vertrouwen in de politiek. „We moeten net zo goed naar onze eigen regering kijken. Ze gaan hier in een kamertje zitten, eentje vraagt ‘zullen we ons salaris verhogen naar achtduizend per maand?’ en iedereen stemt ermee in.”

De Great Bay Beach van Sint Maarten, het Nederlandse deel van het eiland.

Frustrerend is het wel voor veel Sint Maartenaren, die hoge prijs voor autonomie. Neem de scholen: niet alleen op Saint-Martin zijn die beter af, ook de drie Caribische eilanden die sinds 2010 als bijzondere gemeenten onder Nederlands bestuur vallen – Bonaire, Sint Eustatius en Saba – kunnen rekenen op honderden extra euro’s per leerling om de gemiste lesstof in te halen. Dat geld zit er voor de school waar Alexandre werkzaam is niet in. Sint Maarten heeft er de begrotingsruimte niet voor.

Gehecht aan autonomie

Toch zit vrijwel niemand op zo’n toekomst in de schoot van Nederland te wachten. Daarvoor zijn de meeste inwoners veel te veel gehecht aan hun autonomie. „Als het je erom gaat dat het geld op de goede plek belandt, bij de meest kwetsbare mensen, open hier dan een kantoor!” zegt Cherry, ambtenaar bij een van de overheidsdiensten, in een brunchcafé in de haven van Philipsburg.

Ze mist tact, begrip en vooral respect. „Deel dat geld dan zelf uit als je er niet op vertrouwt! Maar doe niet alsof je de uitvoering aan onze regering overlaat, terwijl je zoveel eisen stelt dat er geen keuzevrijheid is. Dan geef je ons het gevoel dat we een stelletje bedelaars zijn.”

Te klein om volledig onafhankelijk te worden, te trots om zich te laten degraderen tot een Nederlandse gemeente: de status van Sint Maarten zal niet snel veranderen. Maar, zeggen eilandbewoners, dan kun je nog wel respect opeisen.

En dat betekent niet zomaar een zak geld zonder voorwaarden, verduidelijkt Ray Alexandre. Want de Franse aanpak bevalt hem evenmin. „De Fransen houden hier hun mensen in leven, dat is wat ze doen. Ze geven iedereen een stabiel bestaan om hun bevolking koest te houden. Maar als het leven te comfortabel wordt, word je ook lui. Dan stagneert alles.”