Opinie

Een maand racisme in de krant – veel beleving, weinig huiswerk

De ombudsman

Coronamoeheid schijnt inmiddels een probleem te zijn, hier en daar. Maar hoe staat het met de vermoeidheid over racisme, de afgelopen weken in een soort collectieve nationale bekering in vrijwel alle media omarmd als dé kwestie van onze tijd?

Om de zaak af te ronden was er een themadag en een stuurloos debat over het ‘racisme-debat’ bij de publieke omroep, met een gespreksleider die leek op een naar adem happende drenkeling op open zee. Dat werd dus eerder een uit de hand gelopen inspraakavond dan een ‘debat’.

Die term is inmiddels in de ban gedaan bij het blad Oneworld, omdat racisme geen mening is, maar een kwaad dat je bestrijdt; een beetje zoals folkzanger Woody Guthrie op zijn gitaar had staan: this machine kills fascists. Activisten zeggen moe te zijn afgeleid te worden door witte mensen die hen vragen hun eigen onderdrukking nog een keer gratis uit te leggen; niet zo gek als je eerst twintig jaar hebt moeten horen dat je vooral een maatschappelijk probleem bent en ‘alle slechte lijstjes’ aanvoert. Intussen vliegt een alarmistische petitie door de media over een vermeende kneveling van het vrije woord door activisten.

Kortom, radicalisering en verbale escalatie alom. Dat is niet erg, al begint nu de vraag wel te dringen wie hier politiek en bestuurlijk nog eens een sturende of integrerende rol kan spelen. En wat doen de media? Een maand geleden schreef ik er over op deze plek. Wat heeft de aandacht in de krant intussen opgeleverd?

Een uitweg uit het doolhof van definities en percepties lijkt in elk geval nog niet in zicht, zoals over de vraag wat ‘institutioneel racisme’ precies is. Dat slaat onder activisten niet per se op wet- en regelgeving, maar op een gevestigde praktijk. In Nederland mag iedereen formeel gelijk zijn, is de gedachte, dan nog kan racisme ‘institutioneel’ zijn. Sommige antiracisten zien in elke sociale ongelijkheid een bewijs én een effect van racisme.

Dat gaat om meer dan woorden. Antiracistisch activisme is geen algemeen-humanistisch moralisme (waar ‘niemand het mee oneens kan zijn’, zoals Nederlanders graag zeggen), met het idioom hangt een maatschappij- en wereldbeeld samen. Voor antiracisten zal dat vanzelf spreken, inclusief de pedagogische asymmetrie die The Economist onlangs kritisch signaleerde: witte mensen hebben opvoeding nodig (‘wit huiswerk’); ontwaakte activisten daarentegen doorzien de sociale verhoudingen feilloos. Bewijzen dat de samenleving racistisch is, is voor hen ook niet meer nodig. Zoals in een (niet stuurloos) alternatief racismegesprek bij de VPRO terloops werd opgemerkt: „De voorbeelden kennen we allemaal.”

Voor journalistieke media kan dat alles juist niet vanzelf spreken. Een krant moet de antiracistische diagnose leren beheersen, maar ook onderzoeken en kritisch bevragen. Vooral: feiten blootleggen, niet bekend veronderstellen of insnoeren in het kinderzitje terwijl de overtuiging achter het stuur al vol gas geeft.

Slaagde de krant daar de afgelopen tijd in? Als sociologische smurf opperde ik hier dat je drie dimensies aan racisme journalistiek zou kunnen onderscheiden: alledaags, institutioneel (overheid, wet- en regelgeving) en theoretisch of programmatisch (politiek, media en wetenschap). Om te bepalen of racisme structureel is – of, in Ruttiaans, ‘systemisch’– is onderzoek nodig naar alle drie dimensies, afzonderlijk én in samenhang.

Tot de geslaagde voorbeelden van zulk onderzoek horen zonder meer de onthullingen van Trouw en RTL over ongelijke behandeling bij de belastingdienst (institutioneel), die van De Correspondent over de extremistische contacten van Thierry Baudet (programmatisch). En bij NRC, recent, het nieuws van verslaggever Marcel Haenen over racistische uitingen in een appgroep bij de politie. Ook de berichten van Martin Kuiper en Romy van der Poel over het COA en persoonsgegevens raken aan ongelijke behandeling. Nee, daarmee is niet vastgesteld dat we in ‘een racistisch land’ leven, gelukkig niet. Het verschil met het Amerika van nog betrekkelijk recente rassenwetten is, ondanks de bijdragen van de VOC en J.P. Coen, nog steeds geen detail en ook niet louter hypocriete window dressing.

Verreweg de meeste aandacht bleef intussen uitgaan naar alledaagse racistische krenkingen. Dat leverde indrukwekkende verhalen op, maar zo langzamerhand is die dimensie nu wel bekend. Zozeer zelfs dat activisten spraken van ‘traumaporno’: witte media die zich verlustigen aan zwart leed, ook weer een vorm van lijfelijke uitbuiting of blaxploitation (ja, niet te snel denken dat je het goed doet als wit medium). Nuttig was daarnaast nog een cijfermatig overzicht van studies naar discriminatie, tot in de jaren tachtig, al betrof ook dat weer vooral alledaagse ervaringen.

Maar waar bleef mijn witte huiswerk? Ik zat klaar met mijn schriftje, maar over de academische en ideologische bronnen van het huidige antiracisme was niet veel te vinden. Wél bracht Opinie een reeks antiracistische en enkele tegendraadse stukken. Ik las consumententips voor films en boeken, na een oudere boekrecensie van mijn hand. Maar geen grondige analyse of reportage over Nederlands antiracisme of Black Lives Matter, of over de relatie met eerdere of andere sociale bewegingen. Het kan nog, dit polariserende thema gaat nog wel even mee.

Op de keper beschouwd pleegden vrijwel alle media de laatste weken vooral een inhaalslag in het ‘stem geven’ aan Nederlanders die lang zijn genegeerd. Dat is urgent, maar overcompensatie ligt wel op de loer. Dan wordt racisme toch weer een soort belevingseconomie, met als norm ervaringen die kennelijk voor anderen onkenbaar en onaantastbaar zijn. Journalistiek die racisme én het antiracisme wil onderzoeken, zal meer moeten doen dan het inventariseren van zulke belevenissen, hoe indringend die ook zijn.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.