Opinie

Bij de Grote Vriendelijke Reus

Tommy Wieringa

Terwijl boze boeren wegen, distributiecentra en de drukkerij van een krant blokkeren, hun critici in appgroepen een gruwelijke dood toewensen en een werkbezoek van de minister onmogelijk maken, heeft zich een klein gezelschap verzameld aan de keukentafel van een Friese koeienboer in Wommels, die wel wat beters te doen heeft. Hij, Murk Nijdam, zestig jaar oud en een evenbeeld van de Grote Vriendelijke Reus, heeft ons zojuist de drasplas laten zien die hij op zijn land heeft aangelegd – een ondiep waterlichaam waar het ritselt van leven.

Grutto’s waden door het enkeldiepe water en kluten zeven met hun wipsnavel de modderige bodem. Op de kant rellen haveloze kemphanen met elkaar. De ranke visdiefjes niet vergeten, en de oeverzwaluwen die tientallen holen bezetten in een oeverwal.

Murk Nijdam vertelt over de vorige drasplas die hij aanlegde: hij voer er door een sloot stilletjes naartoe en bespioneerde het vogelleven vanachter een scherm. „Zoveel vogels bij elkaar, het zat gewoon vol. En er kwamen er telkens nog meer bij, je vroeg je af hoe ze er nog tussen pasten.”

De nieuwe drasplas is groter en voorzien van drie vogelkijkhutten. Op laarzen maat 49 en met een versleten heup leidt hij er gasten rond, ook boeren die van heinde en verre komen om van hem te horen hoe zoiets moet. En hoe dat moet vertelt hij nadien aan het kleine gezelschap rond de keukentafel, onder wie schrijver-avonturier Redmond O’Hanlon en hoogleraar trekvogelecologie Theunis Piersma. „Je moet eigenlijk een hele slechte boer zijn en alles verkeerd doen, dan komt het goed”, zegt Nijdam. „Het moet een grote bende zijn met een hoog grondwaterpeil. Nattigheid, dat is goed voor de weidevogel.” Bestudeerde slordigheid dan toch, want volgens Theunis Piersma weet Nijdam heel precies hoe hij het vogels naar de zin moet maken.

Is het waterschap niet eigenlijk de grootste boosdoener, vraag ik, want dat bemaalt de bodem zo grondig dat die hard en droogtegevoelig wordt, en daarmee ongeschikt voor tastjagers als grutto’s en scholeksters. „Dat zal je mij niet horen zeggen”, zegt Nijdam, maar ontkennen doet hij het ook niet. Met een kolenschop van een hand wappert hij vliegen uit de suikerpot weg. Grinnikt. „Ik dacht dat er nog maar weinig insecten waren? Nou?” Zijn keuken is een tijdcapsule, een stolling van de jaren vijftig, zestig van de vorige eeuw, van hoe de mensen toen leefden. Zelfs de met zegeltjes verkregen koffiemolen van Douwe Egberts hangt er nog.

Trekvogelecoloog Piersma, die het woord ‘landschapspijn’ muntte dat in 2017 in de Van Dale belandde, vertelt dat hij overtuigd is van de goede bedoelingen van minister Schouten, „maar de transitieopdracht is helaas niet opgepakt bij het ministerie. De boerenlobby is te sterk. Wie dat zijn? Kijk maar naar de sponsoren van de Farmers Defence Force. Volg de keten van veevoer en kunstmest, dat zijn de verliezers bij een dominante circulaire landbouw. Nu al verdienen biologische boeren meer dan intensieve boeren, maar ze rijden niet rond in dikke Mercedessen helaas. Dan zou de rest gauw volgen.”

Piersma brengt in zijn boek De ontsnapping van de natuur zo’n productieketen in kaart. Dat Nederland zoveel voedsel produceert, schrijft hij, „hebben we te danken aan de invoer van op olie gebaseerde grondstoffen en allerlei technisch vernuft om die grondstoffen van elders om te zetten in producten voor elders”. Een zin als een lichtstraal in de duisternis.

Redmond O’Hanlon intussen eet oranjekoek en beziet dit alles met dezelfde vriendelijke nieuwsgierigheid waarmee hij ook Papoea’s en Yanomami-indianen bestudeerde. Hij vindt het Nederlandse landschap er beroerder aan toe dan het Engelse. „Maar ook hier keert de publieke opinie langzaam ten goede”, meent hij. Een ander lichtpuntje ziet hij in het regenererend vermogen van de natuur: „In 1953 was de Magelhaenpinguïn in Patagonië zo goed als uitgestorven, maar toen we voor de VPRO de reis van de Beagle opnieuw maakten, was de kolonie alweer aangegroeid tot driehonderdduizend broedparen.” Ter vergelijk: Murk Nijdam telde dit voorjaar vijfenzeventig gruttonesten op zijn land, en dat gold als een groot succes.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.