Reportage

Zeebonken met tranen: wéér niet naar huis

Zeevaart Terwijl zich op het vasteland een pandemie voltrok, kon op zee maandenlang niemand naar huis. Drie teruggekeerde kapiteins over diepvriesvoedsel, eindeloos bingo spelen en familie missen.

Vrachtschepen en olietankers voor de kust van Singapore. Bemanningen van schepen werden de afgelopen tijd op veel plekken niet aan wal gelaten.
Vrachtschepen en olietankers voor de kust van Singapore. Bemanningen van schepen werden de afgelopen tijd op veel plekken niet aan wal gelaten. Foto Wei Leng Tay/Bloomberg

Pling! Op het computerscherm van kapitein Douwe Joustra verschijnt een melding van een automatisch gegenereerd bericht, met een datum en een locatie. Het is april, het schip van Joustra vaart op de Indische oceaan. Een van zijn bemanningsleden heeft na maanden aan boord het einde van zijn diensttijd op zee bereikt, laat het bericht weten. Er zit een aflossing aan te komen.

Joustra, witte baard, vriendelijk gezicht, doet iets wat hij normaal nooit zou doen: hij onderschept het bericht, waardoor het niet bij de matroos terecht zal komen. Die hoeft het niet te zien, vindt Joustra. Dat wekt alleen maar onrust.

Een bemanningswisseling op een vrachtschip organiseren is normaliter een routineklusje voor Joustra, een kwestie van drie mailtjes sturen. Zodra iemand aan het eind van zijn maandenlange diensttijd zit, wordt zo snel mogelijk een haven érgens ter wereld uitgekozen om van boord te gaan. Daar staat een vers bemanningslid klaar op de wal, om van plek te ruilen.

Maar sinds corona kostte het de kapitein geen drie, maar driehonderd mails, en meer dan acht uur aan telefoongesprekken om één bemanningswissel te regelen. En dan nóg kwam vaak op het laatste moment de teleurstellende boodschap: het gaat toch niet lukken. Nooit eerder zag Joustra zoveel zeebonken met tranen, als hij ze voor de zoveelste keer op rij het slechte nieuws vertelde. Wéér niet naar huis.

Terwijl overal ter wereld de grenzen sloten en de wereld vanachter gesloten deuren een pandemie doormaakte, zaten óók honderdduizenden zeelieden gevangen, op hun schip. Havens wilden hen niet aan land hebben, vluchten naar huis gingen niet, en ook nieuwe bemanning kon niet vanaf de andere kant van de wereld naar het schip komen. Op dit moment wachten nog steeds meer dan 250.000 zeelieden tot ze, maanden later dan de bedoeling was, van boord kunnen.

NRC sprak met drie Nederlandse kapiteins over die maanden op zee. De laatste van hen stapte deze week van boord.

Karaoke en bingo aan boord

Zeelieden zijn wel wat gewend. Maanden van huis, een bemanningswissel die onverhoopt mislukt, een weekje later thuis, dat is het zeemansleven. Maar in coronatijd is dat anders, het is vooral de uitzichtloosheid die hen nekt. Even de benen strekken, een boodschapje doen of een biertje drinken op het terras na aankomst in een havenstad zit er ineens niet meer in. Een dokters- of tandartsbezoek ook niet. Aan wal worden de zeevarenden gezien als potentieel besmettingsgevaar. De schepen kunnen vaak wél de havens binnenvaren, om snel de vracht in- of uit te laden, maar de zeelieden mogen niet in contact komen met de wal.

Als kapitein Egbert Bos via een Skypeverbinding in beeld komt, is het 7 juli, een uurtje of negen ’s ochtends. Over vier uur bereikt hij met zijn schip Anet en zijn elf bemanningsleden de straat van Gibraltar. Ze zijn op weg naar Scandinavië om daar een zoveelste poging te doen de bemanning af te lossen. Sinds 11 februari is op de Anet niemand meer van of naar het schip gegaan. Het elftal is een hechte groep geworden, „een soort familie”.

Zeven Filippijnen heeft Bos aan boord, twee Nederlanders, een Rus en een Oekraïner. Zelf stapte de kapitein in januari aan boord, half april had hij thuis moeten zijn. Twee van zijn Filippijnse bemanningsleden zitten al drie maanden te lang op zee, en tikken de tien maanden diensttijd aan.

Bos vertelt hoe de Anet in februari rondvoer op de Zuid-Chinese zee. Op het vasteland in Azië breidt het coronavirus zich op dat moment razendsnel uit. Het werk in de havens valt stil, en de bemanning van de Anet mag nergens meer aan wal. Vijf weken dobberen ze doelloos rond. Motor uit, geen vracht aan boord, wachtend op werk. Van verveling of paniek is dan nog geen sprake. De ploegendiensten aan boord gaan door, het weer is goed, en er valt altijd wel wat te klussen op zo’n schip. Er is karaoke, een barbecue, zelfs internet om te skypen met het thuisfront.

Ook op het schip van Joustra – 25 man – vermaken de jongens zich tijdens deze periode nog goed. Bingo en het bordspel Horse-Races doen wonderen, merkt de kapitein al snel. „Het zorgt voor saamhorigheid.” De sportzaal, tennistafel en het dartboard bieden afleiding. Tussen alle apparatuur door is zelfs een geïmproviseerde cricketbaan gemaakt, „voor de Indiërs”.

Zorgen over thuis

Halverwege maart, het coronavirus heeft inmiddels de hele wereld tot stilstand gebracht. De eerste zeelieden moeten volgens hun contract naar huis, maar de geplande aflospogingen mislukken. „De komende maand lossen we niemand af”, krijgt kapitein Joustra van zijn reder te horen. „We willen het niet eens proberen, want het gaat niet.”

Diezelfde boodschap krijgen alle zeevarenden, waar ook ter wereld. Voorlopig gaat niemand naar huis.

Een maand later, half april. Op de Anet raakt na weken dobberen het verse eten op, evenals het drinkwater en de medicijnen. Bos vaart naar Vietnam, waar hem nieuwe proviand is beloofd, maar op het laatste moment wordt het schip er geweigerd. De dagelijkse kost bestaat uit diepvriesmaaltijden en blikvoer. De internetverbinding is slecht als iedereen tegelijkertijd met zijn vrouw of kinderen wil bellen. Langzaam groeit aan boord het besef dat deze situatie wel eens vervelend kan gaan worden, en lang gaat duren.

De zorgen over het thuisfront en de heimwee nemen toe, merken de twee kapiteins. Ineens wordt er gepraat aan boord, een ongebruikelijk fenomeen voor zeevarenden. Iedereen wil het graag over thuis hebben, merkt kapitein Joustra al snel, hoewel dat normaal gesproken niet zo snel gebeurt onder zeelieden. De kapitein besluit zelf het goede voorbeeld te geven: Joustra begint vaak zelf te vertellen, zijn hoofdmachinist doet mee, en dan volgt de rest vanzelf. „Ik ben een beetje een sociaal werker geworden de afgelopen maanden”, zegt hij lachend.

Misschien is dat nog wel het lastigste aan lang van huis zijn, vinden zij alle twee: de mensen die je achterlaat. Want hoewel het leven op zee doorgaat, staat thuis de wereld op z’n kop. De vrouw van Joustra verliest haar baan, en zit vijf maanden alleen thuis. „Ik hou van je”, hoort Joustra zichzelf regelmatig tegen haar zeggen via de telefoon. „Na vijf maanden zeg je iedere dag hetzelfde”, verzucht hij. „Maar daarmee ben je nog niet thuis om een arm om iemand heen te slaan.”

Kapitein Henk Eijkenaar – zes man aan boord – laat zijn vrouw en kinderen achter in Noord-Italië, waar de coronacrisis een hoogtepunt bereikt terwijl hij op zee zit. Zijn Indonesische zeevarenden horen via het nieuws hoe in hun thuisstad Jakarta het virus heftig huishoudt. Goed internet heeft Eijkenaar niet aan boord, en de telefoonkaarten hebben alleen aan wal bereik. „Die jongens hebben het ontzettend moeilijk gehad”, weet de kapitein nog goed. „Het werk ging ook steeds een beetje langzamer, ze waren echt in mineur.”

Eind mei lijkt er voor het eerst beweging in de zaak te komen. Mondjesmaat komen er bemanningswisselingen op gang, maar vooral voor Europese zeevarenden. Het merendeel van de zeelieden op vrachtschepen komt uit de Filippijnen, Indonesië en India, en deze mensen van én naar het schip krijgen, is nog steeds haast onmogelijk. Een visum om in Europa van en aan boord te mogen, is lastig te krijgen, in het thuisland zitten de zogenoemde ‘quarantainehotels’ vaak vol. En als er geen vervanger naar het schip kan komen, kan de bemanning niet van boord.

Teleurstelling

De kapiteins maakten het alle drie mee: Indische of Filippijnse matrozen, stuurmannen en machinisten die na bijna een jaar op zee bepakt en bezakt klaarstonden om afgelost te worden. Alles leek geregeld, het schip lag al in de haven toen bleek dat zijn tegenhanger de lange reis naar het schip niet op tijd had gehaald, of zijn aflossing om een andere reden plotseling niet werd goedgekeurd. Na de zoveelste teleurstelling denk je niet veel anders dan „het is weer zover”, vertelt Bos. „Op een gegeven moment word je met z’n alleen een beetje mat door alle tegenslag.”

„In alle havens worden we behandeld alsof we melaats zijn”, zegt Eijkenaar verontwaardigd. „Toeristen worden van heinde en verre geëvacueerd van hun vakantieadres, maar als er voor de kust van Australië tien zeevarenden vastliggen, moeten we het zelf maar oplossen. Men lijkt te vergeten dat er mensen van vlees en bloed aan boord zitten. Zo’n schip vaart niet uit zichzelf.”

De drie Nederlandse kapiteins zijn inmiddels thuis. Bos stapte afgelopen maandag in Scheveningen aan wal, Joustra werd in Singapore afgelost, en Eijkenaar kon in Denemarken van boord. Alle drie moesten ze, ondanks alle moeite, bemanning achterlaten op het schip. „Je bent zoveel weken bezig geweest om iedereen bij elkaar te houden en alles voor iedereen zo goed mogelijk te regelen”, vertelt Joustra. „Ik ben nu drie weken thuis, maar het schip en de bemanning zitten nog in mijn hoofd.”