Voor de ongevogelde medemens

Iedereen leest In het nieuwe boek Wensvogels schrijft Hans Dorrestijn aanstekelijk over bestaande vogels, zeldzame vogels, vogelgroepsreizen en vogels die niet bestaan.

Kijkt u al naar vogels? Als het aan Hans Dorrestijn ligt, begint u er vandaag nog mee. Hij heeft te doen met zijn „ongevogelde medemens”. In zijn nieuwe boekje Wensvogels, een aantrekkelijke kleine uitgave vol prachtige, secure prentjes van Elwin van der Kolk, tracht hij de „denkbeeldige Anti Vogelaar” over de streep te trekken: „Ik wil hem bekeren, zodat hij ook de vreugde voelt van de Rietzanger en de Roodborsttapuit. En hij moet ook pindanetjes en vetbollen in zijn tuin hangen, al vindt hij dat geen gezicht.”

Aanstekelijk beschrijft Dorrestijn allerlei vogeltjes, zoals het kittige goudhaantje of de sneeuwgors met zijn „hemels glanzend zwarte” vleugelpunten. Meeslepend verwoordt hij zijn verlangens naar de vogels die hij graag wil zien, zijn ‘wensvogels’ dus. Dorrestijn associeert druk en geestig en legt tal van speelse verbanden. Zijn vergelijkingen zijn vaak heerlijk. Zo maakt de zwarte roodstaart bij hem een zacht knarsend geluid dat lijkt op „verse sneeuw onder kabouterlaarsjes”. Een appelvink die op zijn vogelhuisje troont vindt hij „te vergelijken met de vader van Bambi”: „Hij staart zwijgend voor zich uit, broedend op maatregelen.” Ook over vogels die niet bestaan, maar naar zijn idee zouden moeten bestaan, pakt hij uit. De ‘winterwielewaal’ bijvoorbeeld wentelt zich „wellustig in de sneeuw rond”. Van een vogel die wel bestaat, maar zo vreemd is dat het haast ongeloofwaardig wordt, geeft hij een lijstje: „Gekke Dingen van de Roerdomp”.

Al dit soort dingen doet denken aan Dorrestijns eerdere boeken over vogels, de natuur en vooral hemzelf. Het is meer van hetzelfde, en dat is ook precies wat je het liefste wilt als je Dudeljo (2012) kent of Dorrestijns Vogelgids (2007). Toch valt Wensvogels ook een beetje tegen. Dorrestijn grijpt er dikwijls in terug op de serie Baardmannetjes, die hij met vogelgoeroe Nico de Haan voor tv maakte. Hij nam dialogen tussen hen beiden op in dit boekje, maar dat werkt niet zo goed. De dynamiek tussen hen moet je nog helder voor de geest staan, of je moet de serie opnieuw kijken. Het is een tikje gemakzuchtig en veel minder geestig dan als Dorrestijn De Haan erbuiten laat.

Lees ook: Cabaretier Hans Dorrestijn: ‘Voor echt lijden heb ik de kracht niet meer’

Maar gelukkig schrijft hij in Wensvogels ook gewoon kranig door aan zijn „zelfportret-in-vogels”. Ook het terugblikken op zijn vogelgroepsreizen biedt weer veel moois. In Zweden zien zijn medevogelaars een Taigaboomkruiper. Dorrestijn kijkt net de andere kant op en ziet „een gekleurd vlekje”. Zijn hart springt op. Is het… een kruisbek? Het is aandoenlijk te lezen wat een zelfoverwinning het hem kost om de anderen op zijn vondst te wijzen: „Ik liep het risico dat ik het verkeerd had gezien en ik sla ook liever geen flater in Zweden.” Roerend is ook het laatste hoofdstukje van Wensvogels, waarin „de droom van een eenzame oude vogelaar” is uitgekomen. Er is een grutto bij Dorrestijn komen wonen! Ze zitten op de bank met zijn twee en zijn volmaakt tevree.

Op deze plek schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Reacties: boeken@nrc.nl