Recensie

Recensie Beeldende kunst

Penck-tentoonstelling ‘How it works’ is een feest van vrijheid

Tentoonstelling De Oost-Duitse schilder A.R. Penck zocht naar de gretige energie die kunst gedurende eeuwen van westerse beschaving heeft verloren.

A.R Penck, ‘Beslissing’ (1983, dispersieverf op doek, 180 x 300 cm)

A.R Penck, ‘Beslissing’ (1983, dispersieverf op doek, 180 x 300 cm)

Foto No Hero Foundation

Dit is een oerkunstenaar, denk je op de A.R. Penck-tentoonstelling in het Kunstmuseum Den Haag. Een oerkracht ook: zijn schilderijen, vol sobere, kale, symboolachtige figuren, doen afwisselend denken aan grottekeningen, graffiti en hiërogliefen. Verschillende soorten ‘tekens’ naast elkaar, zwevend op een kale ondergrond, als een taal waarvoor de bijbehorende cultuur nog moet worden uitgevonden. Penck zoekt naar een elementaire vorm van communicatie, alsof hij terug wil naar de primitieve, gretige energie die kunst gedurende eeuwen van westerse beschaving heeft verloren.

Alleen: wie Penck op grond hiervan associeert met niet-westerse kunst, zal even moeten schakelen. A.R. Penck (pseudoniem van Ralf Winkler, 1939-2017) was een Oost-Duitser die zijn opleiding kreeg achter het IJzeren Gordijn. Zijn primitivisme is in die zin ‘fake’: het was een welbewust geschapen stijl. Dat lijkt voor een Oost-Duitser behoorlijk gedurfd, maar gelukkig voor Penck paste zijn werk in de jaren tachtig perfect bij dat van ‘jonge wilde’ tijdgenoten als Jiri Dokoupil en Walter Dahn in Duitsland en Keith Haring en Jean-Michel Basquiat in Amerika: kunst die de toeschouwer de illusie gaf van volledige vrijheid en ongebondenheid.

Lees ook: Duitse ‘vader van de Nieuwe Wilden’ overleden

Dat is een fascinerend gegeven, zeker in deze tijd van schuivende culturen, maar het Kunstmuseum worstelt er nogal mee. Pencks tentoonstelling zelf, geen misverstand, is een feest van vrijheid en van verbeeldingskracht. Maar in plaats van die kracht te vieren, perst het museum hem in een nogal benauwde modernistische dwangbuis. De ondertitel van de expositie luidt: ‘een onderzoek naar de visuele methode van de kunstenaar’, in de openings-muurtekst valt een term als ‘theoretisch kader’ en worden er vijf ‘mechanismen’ in Pencks werk onderscheiden. En zowaar, beide keren dat ik de tentoonstelling bezocht, zowel voor als na de coronasluiting, kon je er een kanon afschieten. Waarom Penck niet gepositioneerd als artistieke ‘broer’ van Haring en Basquiat – twee van de populairste kunstenaars van de laatste decennia?

A.R. Penck, Zonder titel (1989, acrylverf op doek, 340 x 340 cm) Foto Galerie Michael Werner, farbanalyse.de

Actuele discussie

Dan had het museum namelijk ook een veel heikelere, zeer actuele discussie aan de orde kunnen stellen: in hoeverre is het gepast voor een witte kunstenaar om je de beeldtaal van een andere ‘cultuur’ toe te eigenen? Geen misverstand: in Pencks tijd, zeg de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, dacht niemand daar over na. En Penck zal zichzelf vooral hebben beschouwd als een loot aan dezelfde traditiestam als Gauguin en Picasso en Haring, allemaal kunstenaars die zich de beeldtaal van niet-westerse, gekleurde kunstenaars toe-eigenden zonder zich veel rekenschap te geven van de geschiedenis en de betekenis ervan. Tegelijk zie je ook aan alles dat Penck een groot en oprecht liefhebber van niet-westerse kunst was.

Lees ook: Weggestopte DDR-kunst

Maar dat is tegenwoordig niet meer genoeg – en dus staat Pencks werk alsnog, in retrospectief, in een ander licht, of we dat nu leuk vinden of niet. En is het op zijn minst de vraag of Penck, ondanks al die vrijheid en aanstekelijkheid, vooral een posthistorische, postkoloniale vormensnaaier was. Of is zijn werk juist een fascinerend amalgaam van bronnen en symbolen uit alle tijden en culturen en daarmee een eerbetoon aan de vrijheid van de kunst, aan de krachten die mensen van alle rassen verbinden in plaats van ze te scheiden?

A.R. Penck, The Aesthetic Provinces (1977, dispersieverf op doek, 144 x 179 cm) Foto Birkelsche Stiftung für Kunst und Kultur

Natuurlijk, op dit moment heeft een oude witte (dode) kunstenaar als Penck de tijdgeest tegen. Maar wie in Den Haag rondloopt, kost het moeite hem te bekritiseren. Dat komt vooral doordat je geen moment de indruk krijgt dat Penck zich boven andere culturen gesteld voelde, dat hij niet-westerse kunst juist als gelijke zag, of misschien zelfs wel als superieur. Penck lijkt eerder op zoek te zijn geweest naar wat kunstenaars uit alle culturen met elkaar verbindt: een diepgeworteld verlangen om je uit te drukken in hoogstpersoonlijke beelden met een universele zeggingskracht. En dat is ook heden ten dage geen slecht streven.