Recensie

Recensie Boeken

Pas op voor de ‘coronafascist’

Voormalig Denker des Vaderlands René ten Bos vindt het luisteren naar de wetenschap tijdens de coronacrisis ‘stupide’, de maatregelen noemt hij ‘fascistisch’.
Japanse geisha’s in een restaurant in Tokio met beschermende mondkapjes tegen het coronavirus.
Japanse geisha’s in een restaurant in Tokio met beschermende mondkapjes tegen het coronavirus. Foto Kim Kyung-Hoon/Reuters

In De coronastorm stelt filosoof René ten Bos dat de maatregelen die wereldwijd tegen de verspreiding van het coronavirus zijn genomen een overreactie vormen. Wij, en zeker onze politici, zijn in de greep van een fascistische manier van denken die het bestrijden van de ziekte belangrijker acht dan alle andere fundamentele normen en waarden. Dat dit zonder tegengeluid kon gebeuren toont dat de liberaal-kapitalistische samenleving waarin we leven nihilistisch is: de enige waarde die telt is gezondheid. In paniek streven we gezondheid na door te genezen, terwijl we juist zouden moeten voorkomen dat we ziek worden, met name door veel meer acht te slaan op het milieu. Mensen die tegenstribbelen dat de maatregelen toch worden ingegeven door kennis van virologie en epidemiologie moeten we ‘de rug toekeren’, want de wetenschapsfilosofie zou hebben aangetoond dat alle kennis slechts waarschijnlijk is en nooit absoluut waar.

Dit is een reconstructie van de positie die Ten Bos inneemt. Zijn boek is niet geschreven als een betoog waarin de conclusie uit de premissen volgt, maar als een filosofisch woordenboek, dat moet dienen als gereedschapskist die lezers in staat stelt zich te verhouden tot ‘de veelkoppige dimensie van de crisis.’ Met opzet bevat het boek een flinke dosis humor, want daarmee ‘kun je laten zien hoe klein we zijn en hoe komisch dat is’.

Het roept de vraag op wat een filosoof daarover te zeggen zou kunnen hebben. ‘Niets!’ zou je met Wittgenstein kunnen zeggen.

Nu is de corona-epidemie een empirisch verschijnsel dat door wetenschappelijk onderzoek moet worden verklaard. Dit roept de vraag op wat een filosoof daarover te zeggen zou kunnen hebben. ‘Niets!’ zou je met Wittgenstein kunnen zeggen. Een filosoof is immers geen vakwetenschapper en moet zich daarover dus ook geen oordeel aanmeten, maar bescheiden zijn. De kracht van de filosofie bestaat in dit geval uit het inzicht dat haar argumentatie oplevert.

Anderen menen daarentegen dat filosofie deel uitmaakt van de eenheid van wetenschappen. Filosofen kunnen begrippen verhelderen, zodat de wetenschappen niet door conceptuele verwarringen belemmerd worden in hun vooruitgang. Filosofie moet aldus voortdurend in gesprek zijn met wetenschap en die niet tegenspreken.

Witte zwanen

In zijn boek neemt René ten Bos (1959) een derde positie in. Hij noemt kort een aantal filosofen (zoals Huijer, Zizek, Sloterdijk, Finkielkraut, Pinker, Onfray) dat naar aanleiding van de coronacrisis speculatieve theorieën heeft opgesteld over mens, maatschappij en wetenschap. Het is deze ‘lawaaierigheid’ die premier Rutte ertoe bracht te beweren dat we moeten stoppen met filosoferen. Rutte bedoelde natuurlijk dat we niet moeten speculeren, maar naar de wetenschap moeten luisteren. Ten Bos vindt dit een ‘stupide opmerking’ waarop zijn boek een ‘directe reactie’ is.

Lees ook Filosoof René ten Bos: ‘Terug naar ‘normaal’ is een gevaarlijke illusie’

Hij stelt zich zodoende op als filosoof buiten de wetenschap, maar beweert er tegelijkertijd wel van alles over. Cruciaal is daarbij zijn stelling dat wetenschappen tegenwoordig meer met waarschijnlijkheden dan met waarheden werken. Dat zou de autoriteit van deze wetenschappen ondermijnen, wat een voedingsbodem vormt voor complottheorieën.

In de kenleer bestaat het zogenaamde ‘inductieprobleem’: je ziet tienduizend witte zwanen en concludeert: ‘Alle zwanen zijn wit.’ Er hoeft maar één zwarte zwaan te zijn en je conclusie is weerlegd. Dit is het mooie en tegelijkertijd frustrerende van onze kennis over de werkelijkheid: we weten het nooit zeker.

Ten Bos doet net of dit een recente ontdekking is: ‘Het goede nieuws is dat dit inmiddels steeds verder lijkt door te dringen […]’ Zonder meester Pennewip te willen uithangen: dat is het niet; het is al eeuwen en eeuwen bekend. Zijn standpunt dat we deskundigen de rug moeten toekeren berust op de misvatting dat we de waarschijnlijke uitspraken van de wetenschap op één lijn kunnen stellen met speculatie. ‘Wetenschap is mensenwerk’ en dat ondermijnt het hele bedrijf, want er zitten ‘behoorlijk wat ellendelingen onder die geilen op hun machtspositie’.

Dat mag best waar zijn, maar desondanks doen wetenschappers onderzoek; voor hun uitspraken leveren ze bewijzen. Het is gewoon niet waar dat deskundigen ‘het ook niet weten’. Ze doen bijvoorbeeld testen, waar Ten Bos een tegenstander van is, of toch weer niet.

Dit boek is in de kern een grove belediging van alles en iedereen die zich hebben ingezet om het coronavirus te bestrijden.

De neiging om Ten Bos’ wetenschapsfilosofische faux pas zo charitatief mogelijk te interpreteren wordt doeltreffend de kop ingedrukt door zijn introductie van het woord ‘coronafascisme’. Wat hij precies onder dat woord verstaat maakt hij niet echt duidelijk, het slaat op zo ongeveer alles wat met de bestrijding van de infecties door dit virus te maken heeft. Hij wijst vooral op de oorlogsretoriek waarin de bestrijding van het virus wordt beschreven. Zo maakt hij aan alle redelijke discussie bij voorbaat een einde. Want hoe zouden voorstanders van de maatregelen zich tegen zijn aantijgingen moeten verdedigen? Zeggen dat ze geen fascisten zijn?

Dit boek is in de kern een grove belediging van alles en iedereen die zich hebben ingezet om het coronavirus te bestrijden. Je mag daarom verwachten dat Ten Bos zich in zijn onderwerp heeft verdiept. Maar dat blijkt uit niets. Integendeel, zijn boek is een Fundgrube aan domheden. Het voor de filosofie zo belangrijke onderscheid tussen het noemen van woorden om het over hun begripsinhoud te hebben en het gebruiken van woorden om te verwijzen naar de dingen om ons heen is hem ontgaan.

Ten Bos laat delen van citaten weg om de retoriek van zijn argumentatie te bekrachtigen. Hij laat mensen in elektronen-microscopen turen. ‘Maggie’ Thatcher wordt ‘geil van medewerkers zonder eigenschappen’, zoals er heel veel dingen ‘geil’ zijn in dit boek. ‘Dus’ is een stopwoord, in plaats van de introductie van de conclusie van een redenering. Na ‘met andere woorden’ volgt steevast met andere woorden iets anders. Ten Bos laat zich erop voorstaan dat hij ‘Denker des Vaderlands’ is geweest; zijn voorgangers en opvolgers trekken na lezing van dit boek een zak over hun hoofd.