Reportage

Het dorp werd wakker gekust door gedichten

Poëziezomers Watou Het West-Vlaamse Watou was op sterven na dood, tot dichter Gwy Mandelinck er poëzie en beeldende kunst naartoe haalde.

Op diverse locaties zijn in het Vlaamse dorp Watou poezië en beeldende kunst met elkaar gecombineerd.
Op diverse locaties zijn in het Vlaamse dorp Watou poezië en beeldende kunst met elkaar gecombineerd. Foto Leo van Velzen

Het dorp ligt aan de rand van de wereld, in de verlatenheid van de zuidwesthoek van Vlaanderen onder Poperinge, vlak tegen de Franse grens. „Het rilt er in de grond”, zei eens iemand over deze plek, waar de Grote Oorlog diepe sporen achterliet en verscholen in het heuvelland de carrés van oorlogsgraven zijn te zien.

Watou heet het boerendorp dat zo’n veertig jaar geleden getroffen werd door leegloop. De Westhoekhuizen werden spookhuizen, boerderijen en stallen raakten in onbruik en verval, ramen en deuren werden dichtgetimmerd.

Totdat Gwy Mandelinck, stadsbibliothecaris en conservator van het Hopmuseum in Poperinge, onder meer bekend van het Hommelbier, bedacht dat die dorpse leegte en stilte de gedroomde plek was voor een festival waar poëzie en beeldende kunst elkaar ontmoeten. Het dorp was „op sterven na dood”, aldus Mandelinck toen.

Veertig jaar geleden, in 1980, organiseerde Mandelinck samen met zijn vrouw Agnes Hondekeyn de eerste van een reeks jaarlijkse Poëziezomers. Het dorp werd wakker gekust, de bewoners geschokt en gecharmeerd door beeldende kunst en gedichten van nationale en internationale kunstenaars. Gedichten van Hugo Claus, Herman de Coninck, Rutger Kopland, Anton Korteweg, Eddy van Vliet, Elisabeth Eybers, Marjoleine de Vos, Gerrit Kouwenaar, Tom van Deel en Stefan Hertmans gingen ‘confrontaties’ aan, zoals Mandelinck het noemde, met kunstwerken van Panamarenko, Roger Raveel, Luc Tuymans, Marcel Broodthaers, Jan Fabre, Aernout Mik, Marina Abramovic en tientallen anderen.

‘Waslijn’ van Maria Serebriakova, 2001. foto Vincent Mentzel

Steeds legendarischer

Deze zomer zou het initiatief herdacht worden, dat sinds 2008 Kunstenfestival Watou heet. Maar door corona kan het veertigjarige jubileum niet doorgaan. Gelukkig hield Mandelinck hield van zijn Poëziezomers een dagboek bij, geschreven tussen 1980 en 2014. Dat was Watou heet het herinneringsboek dat vorig jaar verscheen, waarin we meekijken achter de coulissen van het festijn, dat steeds legendarischer werd en tienduizenden bezoekers trok, vooral uit Nederland. Nu er deze zomer geen Poëziezomer is, biedt het logboek de sensatie alsof we wél een bezoek brengen aan het grensdorp, in verschillende jaren tegelijk nog wel.

Op de muur een gedicht van Rutger Kopland: „De rug van een hond die al weet,/ terwijl je nog streelt, dat je weggaat” Foto Vincent Mentzel

Zo bood in de editie van 1986 het klassieke Vlaamse dorpsplein de aanblik van een grafheuvel: kunstenaar Camiel Van Breedam stapelde gasmaskers opeen. „Ook de Westhoek waait deze zomer opnieuw als een geschiedenisboek open”, noteert Mandelinck op 2 juni 1986. Diezelfde maand rijdt er „een zwaar legertransport Watou binnen” en „loopt er een huivering door het dorp”. Militairen stellen acht vleugels van neergestorte oorlogsvliegtuigen verticaal op, alsof ze opstijgen. Mandelinck, zelf dichter, combineert dit beeld met een vers over zijn moeder die de Eerste Wereldoorlog meemaakte en het verlies van een beminde:

De klokkentaal van slapelozen kent zij
uit het hoofd.

De combinatie van taal en beeld gaf aan Watou een ongekende allure. Taal en beeld verrijkten en betoverden elkaar. Maar er was meer. In de rauwe entourage van een lege, vervallen stal of een doorgezakte schuur waar je met de voeten in de droge koemest stond, las je opeens een gedicht van Kouwenaar:

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen.

Men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder.

Het was bijna altijd duister op de zolderingen, in de stallen en de lege kamers waarvan het kapotte behang was gekleurd met kindertekeningen. Je moest de dichtregels die op de wanden geschreven stonden veroveren. Ik herinner me de installatie van Mariusz Kruk uit 1998: een reusachtig geknakt houten kruis op een hooizolder, eronder een gedekte tafel als voor het Laatste Avondmaal. Daar hoort een vers van Luuk Gruwez bij:

En wij, gekomen uit de oorden
van het roekeloos woekerend woord.

In Watou waren de gedichten bij de beeldende kunstwerken nooit uitleggerig, zoals vaak bij vergelijkbare festivals. Hafid Bouazza omschreef Watou eens als een „bacchanaal van de verbeelding” en dat hij als „een minnaar dronken en verzadigd van een feest is teruggekeerd dat in mijn dromen en bloed nog nagalmt en naschokt”.

Terecht citeert Mandelinck op 18 juli 1998 deze woorden. Het boek brengt eerdere zomers terug in de herinnering en dwingt bewondering af voor de kracht van dit initiatief. Niets was Mandelinck teveel, het hele jaar door werkte hij aan het evenement. Hij vraagt zich af of „kunst in staat is vervallen panden te stutten?” en of „een dorp sinds begin juli woord is geworden?” Dat noteert hij op 6 juli 1991. De dichtregels die bij deze vraag horen, ontleent hij aan J. Slauerhoff:

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak.

Watou, 2000.
Foto Leo van Velzen
In de lege huizen en stallen van Watou kwamen woorden en beelden.
Foto Leo van Velzen
In een schuur luisteren en kijken bezoekers naar Hugo Claus, Watou 2008.
Foto Vincent Mentzel

Tijdens diezelfde Poëziezomer stond er in een witte ruimte een lege, witte stoel aan een tafel met daarop een gedicht van Leonard Nolens:

Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden. Met die muziek heb ik ons huis gebouwd.

De dichter zelf bleek verdwenen, alleen het gedicht was er. En dus het huis, gebouwd van muziek en woorden.

Tijdens de Poëziezomer 1995 was een ondergrondse kelder van een hofstede gevuld met water. Daarboven, aan de lage zoldering, had Jan Fabre duizenden gedroogde theezakjes opgehangen, die zich weerspiegelden in het water en die op een windvlaag door een venster zacht bewogen. Uit verborgen luidsprekers klonken de stemmen van acteurs Jan Decleir en Josse De Pauw, die misschien wel het beroemdste Vlaamse gedicht voorlezen, ‘Het Schrijverke’ (1857) van Guido Gezelle:

O krinklende winklende waterding,
Met ’t zwarte kabotseken aan,
(…) Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,
Gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg.

Mandelinck noemt Watou tijdens de Poëziezomers „een schimmendorp” waar jaarlijks tientallen beeldende kunstenaars en dichters een „tijdelijke standplaats” krijgen. In 2001 koos hij een regel van Kopland als thema: „Een lege plek om te blijven.” Dit gedicht kwam terecht op het plein naast de kerk. Je leest de woorden en kijkt op naar de hoge torenspits in de hemel, „als een raakpunt met het onbekende”, zoals Mandelinck noteert.

Gwy Mandelinck: Dat was Watou. Dagboek van de Poëziezomers 1980-2008. Uitg. De Arbeiderspers, 320 blz. Prijs € 27,50 Inl: poperinge.be