Illustratie Tjarko van der Pol

De zon is krachtig, maar niet almachtig

Zomerserie De Zon: Wereldgeschiedenis De zon, als motor van het klimaat, bepaalt mede het verloop van de geschiedenis. De Franse revolutie volgde op een bitterkoude winter.

De zon scheen genadeloos in het gezicht van de Spaanse soldaten. We schrijven 2 juli 1600 en op het strand bij Nieuwpoort stonden twee legers tegenover elkaar. De Spanjaarden bevonden zich ten noordoosten van hun Staatse tegenstanders en het was vier uur in de middag. Anthonie Duyck, advocaat-fiscaal bij de Raad van State, vertelt in zijn ooggetuigenbericht welke gevolgen deze positionering had voor de strijdende partijen. „In desen slach hadden den viant groot verlet gehadt, dat de sonne hem altoos in den oigen stont, ende dat hij den wint so en tegen hadde, dat stof ende roock al op hem ende sijn volck in tgesichte dreef.” Verblind door zon en zand legden de mannen van Albrecht van Oostenrijk het deze middag af tegen die van Maurits van Oranje.

De invloed van de zon op het verloop van de menselijke geschiedenis kent vele vormen. Je hebt de eenmalige gebeurtenissen, zoals de slag bij Nieuwpoort, maar er is ook sprake van een meer fundamentele beïnvloeding. Als de hoek van de aardas en de baan van de aarde om de zon niet precies goed zijn, beleven we op onze planeet een ijstijd. Aan de laatste grote ijstijd kwam pas 12.000 jaar geleden een einde. Sinds die tijd leven we in het Holoceen, een relatief warme periode die soms wordt onderbroken door fases van afkoeling. De bekendste daarvan is de Kleine IJstijd, die duurde van ongeveer 1430 tot 1850 en (mede) werd veroorzaakt door een geringere zonactiviteit. Het klimaat – en het weer – dat zo tot stand is gekomen, is van groot belang geweest voor het verloop van de geschiedenis.

Ziekmakende stad

Er is niemand die zoveel weet van het verleden van het weer in Nederland als historisch geograaf Jan Buisman (1925). Hij publiceert sinds 1995 de reeks Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Inmiddels zijn zeven van acht geplande delen verschenen, elk zo’n duizend pagina’s dik, waarin hij van jaar tot jaar en soms zelfs van dag tot dag het weer beschrijft. „Ik gebruik brieven, dagboeken en reisverslagen als bronnen”, legt hij uit. „Je moet daarbij wel goed opletten, want als iemand het bijvoorbeeld heeft over een strenge winter, betekent dat niet hetzelfde als wij er nu onder verstaan. De winter van 1523-24 staat te boek als streng, maar die was juist heel zacht. Wat wil het geval? In november was er drie dagen strenge vorst, waardoor al het graan in de bodem bevroor en de oogst mislukte. Dus noteerde iedereen dat het een strenge winter was geweest, maar dat had met de gemiddelde temperatuur niks te maken.”

De winter van 1523-24 staat te boek als streng, maar die was juist heel zacht

Jan Buisman historisch geograaf

Van het klimaat, het langjarig gemiddelde van het weer, hadden de mensen vroeger geen idee, zegt Buisman. Ze leefden van dag tot dag. „De enigen die daarover praatten waren wat wetenschappers, zoals Christoph Heinrich Pfaff, een hoogleraar natuurkunde in Kiel. Hij schreef begin negentiende eeuw dat hij het idee had dat de grote kou zo langzamerhand voorbij was. Daarin had hij gelijk, want de Kleine IJstijd liep op zijn eind. Zijn verklaring voor de opwarming was overigens heel apart. Hij dacht dat dit kwam doordat er minder bomen werden gekapt in Scandinavië, waardoor de koude, noordelijke wind Europa niet meer zo makkelijk bereikte.”

Een gesprek met Buisman staat bol van dit soort wetenswaardige weerfeitjes. „Keizer Karel V kwam in 1540 op bezoek in Amsterdam. Het was een uitzonderlijk warm en droog jaar: er viel zeven maanden lang bijna geen druppel neerslag. Zijn gastheren stopten hem in een logement op het Damrak, waar de wind de stank van de grachten aanvoerde. Hij vluchtte na één dag weg, en Amsterdam heeft daar decennialang de status van ziekmakende stad aan overgehouden. Nog een aardig detail: sommige Nederlanders dachten dat de hitte zou blijven en gingen wijnstokken aanplanten. Helaas voor hen waren de dertien zomers na 1540 koel en nat, dus die stokken hebben nooit vrucht gedragen. Na een kort intermezzo was de Kleine IJstijd weer volop terug.”

Grote stadsbranden

Schommelingen in temperatuur en neerslag hadden ingrijpende gevolgen, weet Buisman. „Je moet dan bijvoorbeeld denken aan een reeks grote stadsbranden tijdens hete, droge periodes. Zo gingen in de zomer van 1503 achtereenvolgens Harderwijk, Gorinchem, Zaltbommel en Tiel in vlammen op. In Harderwijk kregen ze de poorten niet op tijd open, daar zijn tussen de 500 en 1.500 mensen levend verbrand.”

Natuurlijk waren er de frequent mislukte oogsten die mensen in grote problemen brachten, veroorzaakt door warm, droog, koud of nat weer. Dit leidde soms tot gebeurtenissen in de categorie ‘dat is wel heel toevallig’, waarbij op koude winters grote maatschappelijke veranderingen volgden. Buisman: „Op de bijzonder strenge winter van 1564-1565 en de slechte oogst van dat jaar volgde de Nederlandse Opstand. En in Frankrijk brak na de bitterkoude winter van 1788-89, waarbij sneeuw ook nog eens veel wegen blokkeerde, de Franse Revolutie uit.”

Maar let op, zegt Buisman. „Dit is geen natuurkunde, met een heel strakke causaliteit van één oorzaak en één gevolg. Zo werkt de geschiedenis niet. Het is altijd een combinatie van factoren die de tijd vormgeeft.”

Klimaatdeterminisme

Dat benadrukt ook Sam White (1980), als onderzoeker verbonden aan Ohio State University en hoofdredacteur van het Handbook of Climate History en oprichter van het Climate History Network. Hij publiceerde boeken over de impact van de Kleine IJstijd op het Ottomaanse Rijk en de vroege kolonisatie van Amerika. „Het is goed dat er tegenwoordig meer aandacht is voor de invloed van het klimaat op de geschiedenis, maar we moeten niet vervallen in klimaatdeterminisme. Hoe een samenleving omgaat met structurele veranderingen in de weersomstandigheden, heeft ook met allerlei interne factoren te maken. Karl Marx zei het goed: mensen maken hun eigen geschiedenis, maar niet in de omstandigheden van hun keuze.”

Neem het Ottomaanse Rijk, dat rond 1600 het hele Midden-Oosten, Egypte en de Balkan omvatte en geregeerd werd door de sultan in Istanbul. Dat beleefde aan het eind van de zestiende en begin van de zeventiende eeuw een implosie van de landbouw en de bevolkingsomvang, zegt White. „Aan de basis daarvan lagen de vulkaanuitbarstingen in Zuid-Amerika van de Nevado del Ruiz in 1595 en de Huaynaputina in 1600. As en stof in de atmosfeer lieten hierna minder zonlicht door, en dat zorgde voor twee van de koudste decennia in duizend jaar. Dat dit zo’n catastrofale uitwerking had voor het Ottomaanse Rijk, kwam omdat de centrale overheid niet in staat was het voedsel dat er wél was adequaat te verdelen. Er volgde een bloedige opstand. In de meer ontwikkelde maatschappijen in West-Europa, die sterk op handel gericht waren, lukte het beter dit soort tekorten op te vangen.”

De klimaathistorie is sinds de publicatie in 1967 van het pionierswerk Histoire du climat depuis l’an mil van de Fransman Emmanuel Le Roy Ladurie met grote stappen vooruit gegaan, zegt White. „We kunnen nu het onderzoek van geschreven bronnen combineren met het analyseren van de sporen die klimaatverandering in de natuur heeft nagelaten. Dat zorgt voor een completer beeld.”

 

Dit soort analyses wordt gemaakt door mensen als Heinz Wanner (1945), emeritus hoogleraar geografie en klimaatwetenschap aan de Universiteit van Bern. Hij richtte daar in 2007 het Oeschger-Zentrum für Klimaforschung op, waar inmiddels meer dan 250 wetenschappers onderzoek doen naar de impact van klimaatveranderingen op mensen en ecosystemen. Daarnaast was hij tot 2005 lid van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Zijn onderzoek sloeg in 2016 neer in het boek Klima und Mensch: eine 12.000-jährige Geschichte. In rollend Zwitserduits vat hij samen: „Ik ben mijn hele werkzame leven al met het klimaat bezig.”

In Bern trachten wetenschappers op tal van manieren de geschiedenis van het klimaat te achterhalen. Ze speuren in ijs op Antarctica naar sporen van vulkaanuitbarstingen, bestuderen boomringen (de breedte ervan zegt iets over de temperatuur van de tijd waarin de boom groeide), meten de aanwas en krimp van gletsjers en tellen pollen op zoek naar vruchtbare en minder vruchtbare jaren. Wanner: „Zo hebben we geleerd dat er de afgelopen anderhalf miljoen jaar meer dan twintig ijstijden en tussenijstijden zijn geweest.” De koudeperiodes van het Holoceen hadden subtiele biologische gevolgen voor de mens, zegt Wanner. „Vrouwen kregen in deze fases minder kinderen. En epidemieën die in deze tijden ontstonden, hadden ook een grote impact.”

Almachtige heerser

Zijn onderzoek geeft ook inzicht in de oorzaken van de opwarming van de aarde, zegt Wanner. „De concentratie van broeikasgassen lag in het verleden meestal tussen de 180 en 280 deeltjes CO2 per miljoen. Op dit moment is dat meer dan 400 deeltjes per miljoen, om maar even aan te geven dat we in een ongewone situatie zitten.”

Wanner gelooft net als Buisman en White dat het klimaat een belangrijke invloed heeft gehad op historische ontwikkelingen, zonder dat hij de zon als almachtige heerser over de menselijke geschiedenis ziet. „Daarin speelt ook altijd heel veel toeval mee. Mensen vinden het moeilijk om dat te accepteren, maar het is niet anders.”

We zitten op een bijzonder moment in de geschiedenis, zegt Wanner. „Duizenden jaren lang vormde het klimaat onze maatschappij, nu maken wij het klimaat. Wat dat betreft zijn we bezig aan een groot experiment. Op de afloop ben ik niet bepaald gerust.”

Duizenden jaren lang vormde het klimaat onze maatschappij, nu maken wij het klimaat

Heinz Wanner hoogleraar

Jan Buisman herkent dat gevoel, meldt hij vanuit zijn zonnige woonkamer: „Als historicus maak ik mij zorgen om de gevolgen van de onmiskenbare opwarming in de laatste tijd, en om de weerextremen zoals grote droogte afgewisseld door plensbuien. En dat niet alleen in eigen land, maar in grote delen van de wereld.”

Sam White plaatst de huidige opwarming in perspectief. „In de Kleine IJstijd was het gemiddeld één graad kouder dan in de rest van onze jaartelling. Dat leverde heel fikse problemen op, die ook nog eens ongelijk verdeeld waren over de wereld. Het streven nu is om de opwarming van de aarde tot twee graden te beperken. Dat lijkt misschien niet veel, maar het is dus een sterkere temperatuurafwijking dan die koudeperiode van vierhonderd jaar. Het grote verschil met toen is dat we nu weten wat er op ons afkomt.”