Alleen met een eigen boot zit je goed

Met het oog op de zeespiegelstijging kochten schrijver Bruno en academica Loes een woonschip. Een feuilleton van . Afl. 6
Illustratie Olivia Ettema

Ollie kijkt vanuit zijn wagentje onbewogen toe hoe Bruno in het schuurtje de voedseltonnen vult met de gesealde zakken. „Spullen voor de boot”, had hij tegen Loes gezegd toen de pakketbezorger kwam, en daar had ze gelukkig genoegen mee genomen.

Telkens als Bruno nieuw etenswaar koopt moet hij alles herschikken. Het langst houdbare spul moet onderin. Hij vindt het machtig mooi om zijn voorraad te zien groeien. Die is nu compleet, op de verse dingen na.

Lang voordat de kranten erover gingen schrijven, had hij zich al vastgebeten in de gevolgen van klimaatverandering, de catastrofes die op hen af komen. Eerst omdat hij er iets mee wilde voor een boek, later omdat hij er niet mee kon ophouden, ook al was het deprimerend. Je kunt je consumptiepatroon aanpassen, meer kun je niet. Ja, progressief stemmen, maar het klimaat brengt politici niet in beweging: het zingt het immers nog wel vier jaar uit.

Dus moet je aan je eigen hachje denken. Je voorbereiden op de vloed en op de schaarste. Bruno verlegde zijn interesse, zocht uit hoe je vuur kunt maken, hoe je oppervlaktewater filtert tot het drinkbaar is. Hij kocht een gids: Edible uses, plants for a future.

Loes wist van zijn obsessie, maar beschouwde het als niet meer dan dat: een obsessie. Ze is er totaal niet van doordrongen dat ook zij gevaar loopt. Ze gelooft dat klimatologische problemen zich stapje voor stapje zullen voordoen en dat een welvarend land als Nederland mogelijkheden te over heeft om ze de baas te blijven.

Hij wist dan ook dat hij Loes nooit zo ver zou krijgen om zich met hem in Canada te vestigen, of in Idaho. Maar het was ook geen optie meer om te blijven waar ze zaten.

Op een nacht, toen hij tot in de kleine uurtjes op internet zat te lezen over autarkisch leven en eetbare bessen, klonk er een stem in zijn hoofd die zei: een BOOT. Tegen de tijd dat ook Loes ervan overtuigd is dat we moeten vertrekken, is iedereen dat. Dan wordt het vechten om transport en brandstof. Alleen met een eigen boot zit je goed. Mits je bent voorbereid, natuurlijk.

Bruno glimlacht nu hij eraan terugdenkt. Het was prachtig en ernstig tegelijk. Het was zowel een epifanie als een verordening. In het donker had hij omhoog gekeken en een boks gegeven aan de hogere machten.

Zijn telefoon gaat. Hij schrikt. Het is Loes. „Waar ben je?”, vraagt ze.

„Buiten met Ollie.”

„Je klinkt alsof je ergens bínnen bent.”

Die tóón. Alsof ze hem beschuldigt van overspeligheid. Ze wil weten of hij Ollie blauwe bessen heeft gegeven. Ze is het vanmorgen vergeten te zeggen. Hij moet ze wel eerst pureren.

Bruno – telefoon aan zijn oor – kijkt naar Ollie. Die hangt half uit het wagentje en likt aan een zwarte buis. Wat voor een buis? Fuck, de loop van zijn buks!

„Ollie!” schreeuwt Bruno. Hij schiet toe, trekt zijn zoon aan z’n armpje en duwt hem hardhandig terug tegen de rugleuning van het wagentje. Het staat niet op de rem. Ollie vliegt met karretje en al achteruit tegen een stapel lege jerrycans die donderend omvallen. Het kind zet het op een krijsen.

„Bruno?”, klinkt het in zijn oor.