Opinie

Vragen

Ellen Deckwitz

‘Waarom”, vraagt de neef (14) terwijl we mijn tuinhek schilderen, „plakt lijm eigenlijk niet vast aan de binnenkant van de tube?” „Geen idee”, antwoord ik, waarop hij zegt dat hij het later zal googelen en vraagt of ik zin heb in een kopje thee. Verbaasd kijk ik hem na als hij het huis in loopt. De afgelopen maanden was hij dankzij de dodelijke combinatie van lockdown en puberteit onuitstaanbaar maar de laatste weken is zijn humeur opgeklaard en lijkt hij zelfs weer een beetje op de jongen van voor het hormoonschommelen: wat somber maar lief, aanhankelijk, nieuwsgierig. Dat is misschien wel het moeilijkste aan opgroeiende kinderen. Hoe erg je de eerdere versies van iemand mist. Het peutertje dat geobsedeerd was door kikkers, de achtjarige die hele goochelshows voor de familie hield. Het kind met zo’n enorme kennishonger dat hij van zijn moeder na het eten geen vragen meer mocht stellen.

„Waarom moeten we het hout eigenlijk schuren voor het schilderen”, roept hij als hij terugkomt met de thee. Dat weet ik dan weer wel en terwijl ik uitweid, besef ik ook hoelang hij al niets meer aan me heeft gevraagd. Pubers gaan op een zeker moment zelfstandig op zoek naar antwoorden, willen voor hun kennis niet meer afhankelijk zijn van hun opvoeders. Groot worden betekent ook antwoorden weigeren. Maar vandaag weet de neef niet van ophouden en moet ik het ene na het andere mysterie voor hem ophelderen: waarom vlinders eerst een rups zijn, waarom ijs eigenlijk glad is, hoe de belletjes in cola uit het niets ontstaan.

‘Geen idee”, roep ik wanhopig als hij wil weten waarom de mens zichzelf niet kan kietelen. „Heb je je dat zelf nooit afgevraagd dan? Dat wil je toch weten?” Even is hij stil, dan begint hij te grijnzen.

„Jij weet niet alles hè”, zegt hij triomfantelijk.

„Nou en? Jij toch ook niet?”

„Ja, maar jij bent volwassen.”

„Geen enkele volwassene weet alles, maar samen weten ze genoeg”, kaats ik terug in een poging ervanaf te zijn.

„Dus dat is dan volwassenheid”, zegt hij. „Dat je er vrede mee krijgt dat je niet alles kan weten.”

„Er is nou eenmaal geen tijd om alle antwoorden op te zoeken. Je wil tussendoor ook nog een beetje leven.”

„Maar wat heb je daaraan als er zoveel vragen zijn?”

Dat weet ik ook niet. We kwasten verder in stilte. Van buitenaf ziet het er waarschijnlijk heel volwassen uit, twee mensen die een hek opknappen, gewoon praktisch bezig zijn in plaats van met de oneindige hoeveelheid vragen die hen omringt. Dat ze leven in een zee van raadsels, beslissingen nemend op de tast, maar doen alsof dat de normaalste zaak van de wereld is.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.