Opinie

Ontboezemingen over Philip Roth

Michel Krielaars

‘We gaan naar het Savoy!’ Met die zwierige woorden nam Philip Roth op18 mei 2018 afscheid van het leven. Weliswaar in een delier en 85 jaar oud, maar allerminst der dagen zat. Het was alsof de literatuur op zijn sterfbed de werkelijkheid omarmde, zo goed was zijn gevoel voor humor tot op het laatst. Niet voor niets hield Roth van Aristophanes, over wie hij, als Jood die niets met het Jodendom op had, zei dat als de Joden in plaats van Jahweh de Griekse komedieschrijver hadden aanbeden hij drie keer per dag in sjoel zou zitten.

Roths hart deed het sinds zijn 47ste al niet meer goed, maar je mocht het daarover nooit met hem hebben. Alsof hij de dood zo ver mogelijk van zich af probeerde te houden. Toen zijn ‘grote vijand’ zich 38 jaar later alsnog aandiende, had hij zich ermee verzoend. Terugblikkend op zijn onstuimige leven overzag hij de veldslagen die hij met zijn vele tegenstanders had moeten leveren. Zijn ambitie, ‘dat beest’ zoals hij zei, was gestorven. Als hij nu aan de dood dacht, zei hij tegen zichzelf: ‘Nu is het zover en daar zijn we dan’.

Zijn laatste drie weken bracht hij door op de hartbewaking van een New Yorks ziekenhuis. Een handvol vrienden en vooral veel ex-geliefden bevolkten er de wachtkamer. Tussen hun tranen door leek Roth ze op een socratische manier te instrueren hoe je moest sterven. Zo riep hij kort voor zijn einde zijn beste vriend aan zijn bed en vertelde hem: ‘Ik heb de grote vijand te zien gekregen, en liep om hem heen, en sprak met hem, en hij is niet iemand om bang voor te zijn. Dat beloof ik.’

Ik las het allemaal in het ontroerende boekje Here we are. My friendship with Philip Roth van Benjamin Taylor, dat op Roths tweede sterfdag verscheen. Taylor was degene die Roths laatste woorden optekende. In de twintig jaar van hun vriendschap bracht hij duizenden uren met de twee keer zo oude schrijver door, vooral in New Yorkse buurtrestaurantjes. Ze hadden het dan over boeken, politiek, psychoanalyse, seks, dromen, baseball, eten, ex-vrienden en ex-geliefden. Maar vooral spraken ze over de Amerikaanse geschiedenis, die na Roths lichamelijke en psychische crisis van begin jaren negentig tot zijn beste boeken had geleid, zoals American Pastoral, The Plot Against America en mijn absolute favoriet I married a Communist. Dat laatste boek kostte hem overigens zijn veeljarige vriendschap met Saul Bellow, die zoveel aandacht voor een communist een gotspe vond.

Taylor laat Roth ook van zijn minder leuke kant zien. Zo was hij haatdragend jegens iedereen die hem te na was gekomen, van literair critici zoals Michiko Kakutani, die zijn Sabbath’s Theater in The New York Times obsceen had genoemd, tot aan zijn ex-vrouwen, Claire Bloom voorop, aan toe. Haar vernietigende boek over hun echtscheiding, Leaving a Doll’s House, zou hem de Nobelprijs voor Literatuur hebben gekost.

De beste passages in Here we are gaan over seks en ontrouw. Over dat laatste zei Roth: ‘Geen straf is streng genoeg voor de demiurg die trouw heeft bedacht.’ Seksuele anarchie was nu eenmaal zijn drijfveer in zijn leven en kunst geweest.

Nu hij op zijn 85ste zowel de erotiek als de liefde had afgezworen, werd het tijd om rekenschap af te leggen. Toen zijn favoriete eettentje vijf dagen voor zijn fatale infarct een gele kaart van de gezondheidsdienst kreeg en hij daar niet meer naartoe kon, was het daar de hoogste tijd voor.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.