Opinie

Afgezwakte coronawet roept nog steeds veel vragen op

Noodwet

Commentaar

De kritiek op de eerste versie van het wetsvoorstel Tijdelijke maatregelen Covid-19 was niet mals. Terecht: het leek alsof het kabinet onder meer voorstelde dat de politie op ‘besloten plaatsen’, dus bij de burger thuis, zou mogen controleren of die zich wel aan de coronamaatregelen hield. Het oorspronkelijke idee was bovendien dat overleg met het parlement over dergelijke verregaande beperkingen van grondrechten en vrijheden niet nodig was. Er was alleen in een controle achteraf voorzien.

Dat het kabinet de coronawet flink heeft afgezwakt, is daarom niet meer dan juist. In dit wetsvoorstel is de voordeur-paragraaf verdwenen, net als andere scherpere randjes. Maatregelen zullen vooraf worden voorgelegd aan het parlement, burgemeesters krijgen meer bevoegdheden bij de uitvoering en handhaving van landelijke maatregelen, en gemeenteraden kunnen hen daarover ter verantwoording roepen.

Het aangepaste voorstel lijkt „niet zo gek veel meer” op het omstreden concept, vindt minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA).

Maar ook over dit voorstel zijn talloze vragen te stellen. Zo kan de minister van Volksgezondheid nog steeds de veiligheidsregio’s opdragen noodverordeningen op te stellen, terwijl deze wet juist was bedoeld om de wankele juridische basis van de afgelopen maanden, met verordeningen die steeds werden aangepast, te versterken. De Raad van State noemt de noodverordeningen dan ook „niet meer nodig en wenselijk” als de coronawet eenmaal in werking is getreden.

De hoogste adviseur van de regering wijst er ook op dat termen als „veilige afstand” en „groepsvorming” onduidelijk blijven. Juist daarover ontstond de afgelopen maanden verwarring – niet het minst bij handhavers.

Want hadden die twee mensen die met een derde persoon stonden te praten (op anderhalve meter) nu afgesproken en ging het om een verboden samenkomst, of waren ze elkaar toevallig tegengekomen, wat mocht? En nadat het verbod op groepsvorming vanaf 1 juni was komen te vervallen, waarschuwde de premier dat „een te grote groep” „al snel een oploopje” zou worden. Maar wat was té groot?

Een gedetailleerde omschrijving op centimeters en aantallen mensen staat liefst niet vastgelegd in een wet. Maar het kabinet zal dergelijke termen wél preciezer moeten uitleggen, als de ‘veilige afstand’ verandert of er opnieuw een verbod op groepsvorming wordt ingevoerd, ook met de redenen daarvoor. Alleen dan blijft er draagvlak in de strijd tegen het virus en voor een noodwet.

Het is toe te juichen dat er een wetsvoorstel ligt. Zeker wanneer maatregelen diep ingrijpen in vrijheden en grondrechten van burgers.

Het is nu aan de Tweede Kamer deze noodwet te bespreken. De haast de wet in te voeren, is verdwenen – misschien wel iets te veel. Liefst is er duidelijkheid voor een tweede coronagolf Nederland bereikt, zodat de lappendeken aan noodverordeningen overbodig is.