Private equity koopt de crèche, de zorgkinderen moeten weg

Kinderopvang Kinderen die extra zorg nodig hadden, waren op hun plek in een gemengde ‘plusgroep’ met kinderen zonder bijzonderheden. Maar die houdt op te bestaan, nadat investeerders de Utrechtse crèche hebben overgenomen.

Yara, met wie het idee voor de gemengde groepen begon.
Yara, met wie het idee voor de gemengde groepen begon. Foto Dieuwertje Bravenboer

Zo ging het tot een paar maanden terug. De peuters Ezra en Zef zitten naast elkaar op een bankje aan tafel in hun crècheruimte. Ze knabbelen aan een boterham en houden elkaar intussen nauwlettend in de gaten.

Zef is mijn zoon van 3, Ezra is de zoon van Judith Baart en Tim Mulder, een paar maanden ouder. Ezra heeft een chromosoomafwijking waardoor hij een achterstand heeft met lopen en praten. Een tijdje had hij een sonde, maar nu eet hij zelf.

Dat weet Zef allemaal niet. Die weet alleen dat Ezra vaak zijn beker afpakt, en dat het water dan door de hele ruimte spettert, tot ieders verrukking. Hij houdt zijn beker stevig bij zich.

De kinderen zitten in een ‘plusgroep’ van kinderopvangorganisatie Blos. De groep is een uitzondering in Utrecht: hier zitten kinderen met een handicap of ontwikkelingsachterstand in één groep met kinderen zonder bijzonderheden.

De groep is een verademing, zegt Baart, die pas na een lange zoektocht langs allerlei crèches hier belandde. Haar kind paste nergens, maar hier wel. „Ezra is heel sociaal. Als hij hier binnenkomt, schreeuwen de andere kinderen ‘Ezra!’ Ze vinden hem gewoon, normaal. Mijn kind hoort erbij.” De leidsters leren Ezra eten en stapjes zetten. De liedjes gaan met gebaren, en dan doen alle kinderen mee.

De andere kinderen vinden hem gewoon, normaal. Mijn kind hoort erbij

Judith Baart moeder van Ezra

Maar de gemengde groepen stoppen. Waar Blos in twee jaar tijd met behulp van private equity-miljoenen van zeven vestigingen doorgroeide naar ruim honderdvijftig, verdwijnen de handvol plaatsen voor kinderen die extra zorg nodig hebben. Waarom dat zo gaat, begrijpen hun ouders niet. De gemeente Utrecht, die inclusiviteit als speerpunt heeft, onderneemt niets.

Het besluit treft mijn zoon niet. Die heeft geen extra zorg nodig en kan blijven. Maar andere ouders moeten op zoek naar een volgende plek, weg van de gewone opvang. Baart: „Hier, op een crèche, begin je met een maatschappij. Hoe wil je Ezra daarin mee laten doen als dit al niet kan?”

‘Haar hoofd werkt prima’

Het idee voor de gemengde groepen begon met Yara. Na een paar maanden wist Jessica Heeman dat er aan haar oudste dochter iets schortte. Yara was niet sterk, dronk moeilijk. Ze bleek een zeldzaam syndroom te hebben dat een ernstige motorische ontwikkelingsachterstand geeft. Nu ze 8 is, kan ze nog niet praten en leert ze nog lopen. Heeman: „Maar haar hoofd werkt prima. Ze is slim en sociaal.”

Heeman, docent psychologie en onderzoeker aan de Universiteit Utrecht, bracht haar dochter bij Vriendjes in Utrecht, een kleine kinderopvang met op dat moment drie locaties. Yara was welkom, al voelden de leidsters zich al gauw tekort schieten. Het vinden van een andere plek was moeilijk. „Yara was bijna twee en ik was radeloos. Het was echt een nachtmerrie.”

Andere reguliere crèches wilden haar dochter niet hebben, zelf schrok ze van de medische kindverblijven die ze bezocht, met veel zwaar gehandicapte kinderen. „Yara’s hele ontwikkeling zou in zo’n omgeving zijn. Maar ze kan denken en leren en communiceren en lachen. Dat was gewoon geen goede plek.” Bovendien zijn dat soort kindcentra niet lang open, en vaak ver weg. Heeman, alleenstaand: „Dan kun je werken tussen tien en vier.”

Heeman nam in 2014 de toenmalige eigenaar van Vriendjes, Judith Mariën, mee naar zo’n medisch kindverblijf. Mariën, aan de telefoon: „Ik dacht: dít is mooi, snoezelruimtes, een zwembad, met gemeenschapsgeld is zoveel meer mogelijk. Maar je ziet ook een jong kindje tussen gehandicapte 17-jarigen zitten. Meteen in de wereld waartoe het gedoemd is. Daar ben je als jonge ouder nog niet aan toe. Toen heb ik besloten de gemengde groepen op te zetten.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Private equity op de crèche

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.

Muziek, logopedie, ergotherapie

Het idee van Mariën was dit. In een ‘plusgroep’ zitten een paar kinderen zonder beperking, en een paar kinderen met adhd, het syndroom van Down, een onbegrepen ontwikkelingsachterstand of eetproblemen. De groepen zijn klein, het personeel krijgt extra scholing. Ze leren sondevoeding te geven, met epilepsie om te gaan, gebarentaal.

Op de groepen in Utrecht en Zeist neemt Amerpoort, een grote zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking, de verantwoordelijkheid voor de zorg. In Houten is dat het vergelijkbare Reinaerde. Zij sturen muziektherapeuten, logopedisten en ergotherapeuten langs en begeleiden de groepsleiders.

Ook de reguliere kinderen profiteren van de kleine groepjes en de extra aandacht. En veel ouders waarderen het dat hun kind opgroeit in een diverse omgeving, waarin rolstoeltjes en gebaren doodnormaal zijn.

Personeel leert sondevoeding geven, met epilepsie om te gaan en gebarentaal

Administratief is zo’n plusgroep wel complex, zegt Mariën. Voor de zorgkinderen is er extra financiering vanuit het pgb of de jeugdwet. Ze hielp zelf ouders met de ingewikkelde aanvragen. „Als je echt alle uren van mij meetelt, waren de groepen niet rendabel. Maar wij wilden een opvang zijn voor álle ouders.”

Het was echt een gouden concept, zegt Baart, moeder van Ezra. Ze kon op normale uren werken, broers en zusjes kunnen naar hetzelfde adres. „Als je een kindje met een achterstand krijgt, kan dat je helemaal opslokken. Daar kun je echt in vastdraaien. Ik ben onderzoeker, mijn man en ik werken allebei vier dagen. Gewoon een normale baan, dat helpt écht om gelukkig te blijven.”

Ezra in de ‘plusgroep’ in Utrecht. Zijn moeder Judith Baart: „Hier, op een crèche, begin je met een maatschappij. Hoe wil je Ezra daarin mee laten doen als dit al niet kan?”
Foto’s Dieuwertje Bravenboer

143 miljoen voor ‘fonds V.’

Begin 2017 opent het Amsterdamse private-equityfonds Mentha Capital ‘fonds V’. Mentha haalt 143 miljoen euro op bij investeerders voor dat fonds, stapt in een uitzendorganisatie en neemt in de zomer van dat jaar een meerderheidsbelang in De Vrije Vogels. Dat is een eveneens Utrechtse kinderopvangorganisatie van broer en zus Max en Jennefer van de Blaak, met 650 ‘kindplaatsen’ verdeeld over zeven locaties in en rond Utrecht. De naam wordt omgedoopt tot Blos.

Broer en zus Van de Blaak begonnen ooit met de crèche van hun moeder, maar nu willen ze groeien. Mogelijkheden genoeg, want de kinderopvangmarkt is sterk versnipperd. De grootste partij Smallsteps en Partou hebben samen nog maar 8 procent van de markt. Groeien en consolideren levert winst op: IT, administratie, personeelsbeleid kan allemaal samengevoegd en gestroomlijnd. En ook de kwaliteit is beter te beheersen, vinden broer en zus. Max van de Blaak vindt daarvoor bewijs in het landelijk register kinderopvang. De kwaliteit van grote opvangorganisaties is gemiddeld hoger dan die van kleine, ziet hij. Regels en wetten veranderen continu, grote organisaties kunnen dat beter bijbenen.

Het gloednieuwe Blos trekt een financieel directeur en een financiële man aan van investeringsmaatschappij Value8 en gaat op overnamepad. Dat gaat in razend tempo. In nog geen drie jaar tijd groeit Blos van zeven locaties naar meer dan honderdvijftig. Blos koopt crèches in en rond Utrecht en in het Westland en neemt de christelijke opvang Bijdehandjes op de Veluwe over.

De overnames gaan vooral met geleend geld: in één jaar tijd stijgt de schuld op de balans van Blos van 2,5 miljoen eind 2017 naar 22 miljoen euro het jaar erna.

Blos vangt nu ruim zevenduizend kinderen op in de crèches en op de buitenschoolse opvanglocaties. Het aantal werknemers gaat van 150 naar 1.340. Daarmee is Blos in één klap de achtste grootste kinderopvang van Nederland. Over een paar jaar zal Mentha Blos weer verkopen.

In 2018 komt Vriendjes in beeld, met intussen negen locaties, waarvan drie met zo’n ‘plusgroep’. Max van de Blaak, van Blos, kent de eigenaren: Judith Mariën, die de plusgroepen opzette, en haar zakenpartner Jacob van Goor. Zij vinden hun bedrijf met inmiddels 120 mensen te groot worden, vertelt Mariën later. Ze willen verkopen om later weer met iets kleins te beginnen.

De overname gaat zoals dat met private equity gaat. Mariën en Van Goor beantwoorden lange vragenlijsten en richten een ‘data room’ in, waarin een juridisch- financieel acquisitieteam van Blos in de boeken kijkt. Ook bekijkt het team de contracten met de zorginstellingen en de gemeentes. Eind 2018 komt de deal rond, de oudercommissie hoort het achteraf. Voor hoeveel Vriendjes van de hand gaat, willen de partijen niet zeggen.

Het inlijven gaat daarna voortvarend. Op de facturen naar de ouders komt algauw ‘Blos’ te staan. Er komt een nieuwe nieuwsbrief, een nieuw inlogportaal en Blos investeert in nieuwe bedjes en speeltjes om aan de regels te voldoen.

Blos beloofde zoveel mogelijk van Vriendjes intact te laten, zegt Judith Mariën achteraf. Harde afspraken werden niet gemaakt, want „garanties zijn feitelijk lastig af te dwingen”. Maar ze had vertrouwen in broer en zus Van der Blaak. In een brief naar de ouders schreef ze dat kinderen en ouders weinig van de overgang zouden merken.

Stoppen met het ‘plusconcept’

Dat is niet zo.

Een jaar later, op maandag 13 januari 2020, krijgen alle ouders van de kinderen op de drie plusgroepen een mail, ondertekend door de zorgorganisaties en door Blos. Zo ook Nadèzda Broshuis en Janwillem Fröling, ouders van Flynt, een jongetje van drie met een motorische en cognitieve ontwikkelingsachterstand die op een plusgroep in Zeist zit.

Blos heeft besloten met het „plusconcept” te gaan stoppen, staat erin. Dat gebeurt als er voor de kinderen „op zo’n kort mogelijke termijn een passend alternatief” is. De uitleg is summier. „De kwaliteit en de continuïteit” kunnen „onvoldoende blijven gewaarborgd.” De ouders krijgen een gesprek met Blos, bij vragen kan er gebeld worden.

De mail leidt tot ontzetting. Sommige ouders bellen in paniek het hoofdkantoor, maar krijgen dezelfde frase te horen. De oudercommissie weet ook van niks, die is niet ingelicht. Op de groep in Utrecht staat ’s ochtends een moeder te huilen bij een leidster.

Ouders zeggen „emotioneel en ontredderd” te zijn en spreken van „onfatsoenlijke benadering”

Ook het personeel is overvallen. Zij hebben pas de vrijdag ervoor te horen gekregen dat hun groepen gaan stoppen. De leidsters hebben tijd geïnvesteerd in extra cursussen, sommigen hebben hun baan opgezegd om hier te komen werken, en nu stopt het ineens.

Broshuis was „emotioneel en ontredderd”, toen ze de mail kreeg, zegt ze en Fröling was vooral „heel boos en aangedaan over de onfatsoenlijke benadering”,

Hun zoon Flynt doet het heel goed op de kleine, prikkelarme plusgroep in Zeist, zeggen ze. „Het was best een zoektocht, tot het centrum voor jeugd en gezin in Zeist ons deze plek aanraadde. Het concept werkt. Het is echt een verademing voor ouders met een kindje met een rugzakje. Nu brengen we Flynt blij weg en halen we hem blij op. Hij is zienderogen in zijn hele ontwikkeling én in zijn geluk gegroeid, en wij dus ook.”

Toestroom zorgkinderen stagneert

In de weken erna wordt het de ouders niet duidelijk waarom Blos de groepen opheft. Fröling, jurist, wil schriftelijk antwoord op vragen, maar dat weigert Blos. Er komt geen gezamenlijke bijeenkomst met de directie. In de één-op-één-gesprekken die ouders voeren met de regiomanager van Blos klinkt telkens dezelfde zin over ‘borging van kwaliteit’.

De oudercommissie in Utrecht wordt eind januari ook niet veel wijzer. Het vinden van geschikt personeel is moeilijk, zegt Blos in een vergadering – maar dat is in de hele branche zo. De toestroom van zorgkinderen vanuit Amerpoort stagneert, zegt Blos ook. Dat vinden ouders een raar antwoord, veel van hen hebben de plusgroepen immers zelf gevonden. Vriendjes adverteerde er gewoon mee. Broshuis: „Wij wilden een extra dag voor Flynt, maar ons werd gezegd dat de groep vol zat.” 

Voor de stelling dat de kwaliteit moeilijk is te bewaken, krijgen de ouders geen onderbouwing. Ze zijn zelf heel tevreden met de opvang en er zijn al jaren klinkende inspectierapporten van de GGD. De leidsters hebben ook geen negatieve evaluaties gezien of een verbeterplan hoeven uitvoeren.

Zo’n tiental gedupeerde ouders wil zich verzetten, maar weet niet hoe. Sommigen bellen met de gemeente, zonder resultaat. Sommigen overwegen een klacht in te dienen bij de nationale Geschillencommissie Kinderopvang in Den Haag, waarbij ook Blos is aangesloten. Kan Blos dit zomaar stoppen? De veiligheid is toch niet in het geding? Eén stel verhuist, één stel schrijft uit nijd hun kind in bij een medisch dagverblijf, om er later achter te komen dat die om half vijf al dicht gaat. De vader gaat noodgedwongen meer in het weekeinde werken, vertelt hij. Andere ouders weten het niet. Ze zien op tegen een wissel, die bij hun kind heel zwaar kan vallen.

Broshuis en Fröling blijven zich verzetten. Zonder goede argumenten laten ze zich het contract niet opzeggen door Blos. Ze blijven Flynt gewoon brengen tot hij vier is.

Het gezamenlijke verzet verzandt, maar de woede over de keuze van Blos blijft, ook voor toekomstige kinderen met een beperking. Dit is wéér een plek minder waar die samen kunnen zijn met leeftijdsgenoten zonder bijzonderheden en er zijn er al zo weinig van, vinden ze. Broshuis: „Iedereen moet maar aan de norm voldoen, niemand mag afwijken. Kindjes met een rugzakje vallen buiten de boot.”

Wat zij en haar man ook niet begrijpen: „Het mooie idee van inclusiviteit wordt door Blos overboord gegooid onder het mom van ‘niet standaard: kost te veel’.” Fröling: „Blos hàd de groepen niet hoeven kopen.”

Yara en haar zusje Roos. Hun moeder Jessica Heeman: „Dit is de allerlaatste van alle activiteiten – school, sport, bso, wat dan ook – waar Yara en haar zus, met en zonder beperking, samen aan deel mogen nemen.” Foto Dieuwertje Bravenboer

‘Het was wel te redden geweest’

Op achtergrond willen betrokkenen meer vertellen. De groepen waren niet kostendekkend, zegt iemand die op het hoofdkantoor van Blos werkte. Maar belangrijker nog: het was lastig. „De groep moet heel gebalanceerd zijn en je moet voor alle tijdsblokken gekwalificeerd personeel hebben.” Een andere werknemer van Blos zegt dat ook. „De facturatie, de bezetting, de onderhandelingen met de gemeente, je doet het er niet even bij. Maar ik vind het nog steeds jammer. Het was wel te redden geweest. De groepen hebben altijd gedraaid, het was niet onmogelijk.”

Zorginstelling Amerpoort wilde ook door. „Het besluit kwam eenzijdig van Blos”, zegt een betrokken werknemer. De samenwerking liep al gauw na de overname stroever, vond de werknemer. „Een crèche heeft andere belangen dan wij. Wij denken lang na over de samenstelling van een groep, we observeren of een plaatsing werkt. We overleggen veel, en letten dan niet op uren. Bij de vorige eigenaren was daar allemaal ruimte voor, maar bij zo’n organisatie als Blos veel minder.”

In een officiële reactie weerspreekt Blos stellig dat geld de reden is voor sluiting. „Er zijn subsidieregelingen voor pluskinderen die het financieel voldoende aantrekkelijk maken deze kinderen op te vangen.” Het sluiten van de groepen kost Blos nu zelfs geld, stelt de opvangorganisatie. En bovendien: „We bieden op veel plekken voor- en vroegschoolse educatie aan voor kinderen met risico op een taalachterstand. Dat levert geen winst op.”

Volgens Blos werd pas na de overname duidelijk hoe ingewikkeld de plusgroepen waren. „We werden geconfronteerd met uitdagingen die vooraf aan de overname onvoldoende aan ons kenbaar zijn gemaakt.” Welke dat precies zijn, zegt Blos niet, maar het had te maken met „de zeer uiteenlopende zorgvraag” en de complexiteit daarvan voor slechts een handvol kinderen. Opschalen naar méér plusgroepen zou helpen, stelt Blos, maar dat is niet de strategie, want het blijft moeilijk het kwalitatief juiste personeel te vinden en de instroom stagneert.

Dat ziet Amerpoort anders. In een officiële reactie stelt de zorginstelling dat het „een bekend en logisch gegeven is dat in- en uitstroom fluctueert”. Er waren wel signalen dat sommige dingen moeilijk waren, schrijft Amerpoort, „echter niet in de mate dat we per direct met de plusgroepen zouden moeten stoppen.” Welke signalen dat waren, staat er niet bij. Maar voorstellen die Amerpoort deed om op een andere manier samen te werken, wees Blos af. De zorginstelling snapt dat ouders verdrietig zijn. „We zien dat dit een verlies is.”

De gemeente Utrecht hoort via een boze ouder over de sluiting, niet van Blos zelf. Dat is opvallend, omdat de gemeente een deel van de zorg op de crèches betaalt. Toch onderneemt de stad geen actie. Het vraagt niet aan Blos om de groepen te behouden. Een woordvoerder: „Wat kinderopvang betreft hebben gemeentes geen rol, dat is aan de markt.” Blos wijst zelf naar de overheid en de zorginstellingen als eerste verantwoordelijken voor kinderen met een beperking.

Blos wil alleen de allerbeste kwaliteit leveren, zegt de kinderopvangorganisatie. Maar voor de zorgkinderen was dat te moeilijk. „Dit besluit is niet fijn voor de ouders, het is niet fijn voor de medewerkers en ook niet fijn om als management te moeten nemen, maar het is het beste voor het kind.”

Voor welk kind, vraagt Judith Baart. Niet haar Ezra.

Het enige zorgkindje in Utrecht

En nu? De groepen gaan dicht. Een groot deel van de zorgkinderen, 19 van de 24, mag blijven tot ze naar school gaan. De instroom was inderdaad verminderd, maar onduidelijk is of dat komt door minder belangstelling, of doordat Blos gestopt is met werven. Voor vijf jongere kinderen is een andere plek gezocht. Nieuwe zorgkinderen kunnen niet aangemeld. Daarmee verdwijnen de ‘inclusieve crèches’ in Utrecht, Zeist en Houten – een hap uit het toch al zeer beperkte aanbod in Nederland.

Ezra is na de coronacrisis nog het enige zorgkindje in Utrecht. Zijn groep stroomt nu vol met reguliere baby’s. Zijn moeder Judith Baart: „Natuurlijk zijn zorgkinderen moeilijker. Maar Blos wil het niet eens proberen.”

Jessica Heeman, moeder van Yara met wie het begon, ziet het met verdriet aan. Blos groeit steeds groter, draait steeds efficiënter, met hogere tarieven en vollere groepen. Maar voor kinderen met een beperking is geen plek in die geoliede machine. Heeman: „Doet Blos het om het geld? Wat altijd geld kost, is de afwijking van je eigen systeem.”

Yara gaat nu nog een keer per week in haar rolstoel naar een reguliere buitenschoolse opvang van Blos. Dat was altijd zo gebleven, al moet Heeman de plek wel voortdurend bewaken. Ze appt ’s avonds laat ontmoedigd: „Het is Yara’s laatste anderhalf uur in de normale wereld. Dit is de allerlaatste van alle activiteiten – school, sport, bso, wat dan ook – waar Yara en haar zus, met en zonder beperking, samen aan deel mogen nemen. Terwijl Yara dat best zou kunnen.”