Piepkleine opmaat tot een vliegend reptiel

Paleontologie Een dinoachtige die op Madagaskar werd gevonden, was zo klein dat hij vermoedelijk een vacht had om warm te blijven.

Kongonaphon kely leefde zo’n 237 miljoen jaar geleden in wat nu Madagaskar is.
Kongonaphon kely leefde zo’n 237 miljoen jaar geleden in wat nu Madagaskar is. Illustratie Alex Boersma

Hij was zo’n 10 centimeter groot, had een zacht vachtje en at vermoedelijk insecten: Kongonaphon kely, een voorouder van dinosauriërs en pterosauriërs die leefde tijdens het Trias, 237 miljoen jaar geleden, leek qua omvang en eetgedrag weinig op zijn vaak gigantische nazaten uit het Jura en het Krijt.

Toch vormt juist deze vroege minidinoachtige een belangrijke schakel in het evolutionair onderzoek naar de oorsprong van dinosauriërs én pterosauriërs, schrijven paleontologen uit de VS en Madagaskar in PNAS. Het kleine fossiel helpt te verklaren hoe vliegende reptielen zoals pterosauriërs ontstonden.

Op zichzelf is een kleine ‘oerdino’ niet uitzonderlijk: hedendaagse vogels zijn volgens de huidige taxonomische indeling óók dinosauriërs. Bovendien worden er wel vaker minuscule dinosaurusfossielen gevonden: in maart jongstleden stond in Nature een publicatie over een piepkleine schedel in barnsteen, ter grootte van een duimnagel. Die was vermoedelijk afkomstig van een dinosaurus die zo’n 99 miljoen jaar geleden leefde, tijdens het Krijt.

De hoge ouderdom maakt de vondst van deze dino zo bijzonder

Maar juist de hoge ouderdom van Kongonaphon kely maakt de vondst bijzonder, omdat die aantoont dat er in een vroeg stadium ‘miniaturisering’ plaatsvond, rond de tijd dat de dinosauriërs en de pterosauriërs zich van elkaar afsplitsen. Die geringe grootte zou er vervolgens aan hebben bijgedragen dat de pterosauriërs het luchtruim konden kiezen – met een zwaar, log lichaam is het immers moeilijker om te vliegen.

„Vooral de stap naar de vliegkunst is dan veel bezwaarlijker”, zegt Anne Schulp, werkzaam als onderzoeker bij Naturalis en hoogleraar paleontologie bij de Universiteit Utrecht, en niet betrokken bij de studie. „Als je eenmaal vliegt is het daarna groter worden wel weer haalbare kaart.”

Auteurs zijn voorzichtig

De auteurs formuleren volgens hem heel voorzichtig. „Ik vond het eigenlijk nergens ‘overstretched’ met hun conclusies. Onzekerheden in de datering, beperkte resolutie in hun reconstructie van de verwantschappen, het wordt allemaal benoemd. Het is ook bepaald geen ‘compleet’ fossiel. Dat geeft ook direct aan hoe belangrijk die vondst is; als zúlk beperkt materiaal een belangrijke aanvulling vormt op onze kennis van de oorsprong van de dinosauriërs en de pterosauriërs... Dat vertelt al hoe weinig we over dat stukje van het verhaal weten.”

Het dier voedde zich met insecten met harde schildjes

Kongonaphon kely werd gevonden op Madagaskar. De tanden van het fossiel zijn kegelvormig en vertonen kleine onregelmatigheden. Daaruit maken de onderzoekers op dat de soort zich voedde met insecten met harde schildjes: die zouden voor kleine beschadigingen van de tanden hebben gezorgd.

Dat Kongonaphon kely vermoedelijk een vachtje had, concluderen ze uit de geringe lichaamsgrootte van de soort. Tijdens het Trias fluctueerden de temperaturen sterk, en daardoor zou het voor kleine dieren moeilijk kunnen zijn om warm te blijven – tenzij ze een vorm van lichaamsbedekking hadden. Van sommige latere dinosauriërs en pterosauriërs is al bekend dat ze bijvoorbeeld schubben, pluis of veren hadden, en die zouden dus kunnen zijn ontstaan vanuit die initiële vacht.

Schulp: „Omdat we die structuren zowel van dino’s als van pterosauriërs kennen, is het aannemelijk dat soorten die dicht bij de gemeenschappelijke voorouder zaten die eigenschap óók hadden. Het kleine formaat maakt dat dan nog een stapje waarschijnlijker, want warm blijven is voor dat kleine spul zeker een thema.”