Interview

Museumzalen worden behandelkamers

Herman Zeinstra, Het Scheringa Museum leek de indrukwekkendste ruïne van Nederland te worden. Nu wordt het museum omgebouwd tot woonzorgcomplex.

Herman Zeinstra in de entreehal van het gebouw dat bijna het Scheringa Museum werd, 2009 De bogen in het exterieur
Herman Zeinstra in de entreehal van het gebouw dat bijna het Scheringa Museum werd, 2009 De bogen in het exterieur Foto’s DOK architecten/ Arjen Schmitz

Het eerste en opmerkelijkste architectonische slachtoffer van de vorige economische crisis was het Scheringa Museum. Toen de bouw van het museumgebouw in het Noord-Hollandse Opmeer in 2009 werd stopgezet, omdat de DSB Bank van bankier en kunstverzamelaar Dirk Scheringa failliet was gegaan, was het voor driekwart af. Pogingen om het onvoltooide gebouw te verkopen mislukten, zodat het elf jaar lang op weg was om de indrukwekkendste ruïne van Nederland te worden. Totdat afgelopen voorjaar de SVE Group het museumgebouw aankocht. Het vastgoedbedrijf uit Loosdrecht gaat er luxe appartementen met zorgvoorzieningen van maken, met horeca en een tentoonstellingsruimte.

Architect Herman Zeinstra (1937), ontwerper van het Scheringa Museum, is opgelucht. „Echt verschrikkelijk vond ik de stopzetting van de bouw”, vertelt hij in zijn woning in Amsterdam-Oost. „Het Scheringa Museum behoort met het Crematorium in Haarlem uit 2002 en mijn vroegere woonhuis aan de Oude Schans in Amsterdam uit 1972 tot mijn lievelingsontwerpen. Je hebt als architect ontzettend veel geluk als je een museum mag ontwerpen en als het dan eindigt in een ‘onvoltooide’, treft dat je hard. Ik heb nog geprobeerd Duitse musea en het Guggenheim over te halen om er een dependance van te maken, maar dat is niet gelukt.”

Lees ook: Grimmig en glashelder

Zeinstra, die voorheen deel uitmaakte van DOK Architecten, kreeg de opdracht voor het Scheringa Museum, nadat Alberts en Van Huut, de architecten van de Apenrots, het vroegere ING-hoofdkantoor in Amsterdam Zuid-Oost, er niet in slaagden een ontwerp te maken dat Scheringa beviel. „Hij vroeg toen vier architecten om een ontwerpvisie”, vertelt Zeinstra. „Vervolgens kreeg ik een telefoontje dat ik eens moest komen praten. Ik heb hem toen meteen duidelijk gemaakt dat het budget van 19 miljoen euro veel te laag was voor het aantal vierkante meters dat hij wilde. Vervolgens liet hij dit door een onafhankelijk bureau narekenen. Toen dat mijn schatting bevestigde, zei hij: nou, goed, dan moet het maar twee keer zo veel kosten.”

Bakstenen

Scheringa had maar één specifieke wens voor het gebouw waarin hij zijn collectie (magisch-)realistische kunst wilde onderbrengen: het moest van baksteen worden. „Hoewel hij eigenwijs was, kon ik goed met hem opschieten”, vertelt Zeinstra over de samenwerking met zijn vroegere opdrachtgever. „Hij wilde altijd kunnen kiezen, zodat ik steeds met een alternatief moest komen. Toen hij de lichtgekleurde baksteen koos, terwijl ik de donkere wilde, pakte dat verkeerd uit. Een keer had ik twee varianten voor een plafond ontworpen, waarvan de ene goedkoper was – en ook minder, vond ik – dan de andere. Hij gaf de voorkeur aan de goedkope oplossing, maar vroeg nog wel, zoals bijna altijd: ‘Herman, wat vind jij?’ Na mijn antwoord wees hij op de dure variant en zei: ‘Goed, dan doen we die van jou voor de prijs van die van mij’ – en liep weg. Ik heb dat toen opgelost door op andere dingen te bezuinigen.”

Met zijn bakstenen gevels en een reeks vierkante en langwerpige zalen met tongewelven met bovenlicht is het gebouw dat bijna het Scheringa Museum was, eens de polderversie genoemd van het Kimbell Art Museum in Forth Worth (Texas) uit 1972, ontworpen door de Amerikaanse architect Louis Kahn (1901-1974). Over zijn schatplichtigheid aan Kahn doet Zeinstra niet moeilijk. „Ja, Louis Kahn is een van mijn favoriete architecten. Ik was al in zijn werk geïnteresseerd voor hij beroemd werd. Ik ben nog naar Bangladesh gereisd om in Dhaka zijn parlementsgebouw te zien. Maar uiteindelijk zit het Scheringa Museum met zijn stramien van negen bij negen meter toch heel anders in elkaar dan het museum van Kahn. Ik vind de meeste musea een ramp, je raakt er altijd de weg kwijt. De zalen waar het daglicht door spleten binnenvalt heb ik daarom langs een lange en lichte gang gelegd, zodat je je altijd goed kunt oriënteren. Die zalen liggen achter een voorhuis, waar de bezoekers binnen zouden komen in een hal met een hoogte van zestien meter.”

De bogen in het exterieur

Wegens het vloeroppervlak van 10.000 vierkante meter is het Scheringa Museum ook megalomaan genoemd. „Dat is het zeker”, zegt Zeinstra laconiek. „Maar dat geldt ook voor veel kerken in de dorpjes in Noord-Holland. Die zijn vaak nog hoger dan het Scheringa Museum.”

Na tien jaar leegstand is het onvoltooide Scheringa Museum minder ruïneus dan je zou verwachten. Maar dit betekent niet dat de nieuwe eigenaar het ontwerp ongewijzigd gaat uitvoeren. Zo veranderen de museumzalen in behandelruimtes rondom patio’s. En in de twee hogere bouwdelen aan weerszijden van de reeks zalen komen appartementen, met balkons die het aanzien van de gevels veranderen. Ook de monumentale trap in de entreehal sneuvelt wegens overbodigheid. Maar de schitterende hal, met zijn vele bakstenen bogen en betonnen tongewelven met lichtspleet, blijft gehandhaafd. „De nieuwe eigenaar had een eigen architect die is gespecialiseerd in zorgarchitectuur”, vertelt Zeinstra over het nieuwe ontwerp. „Maar hij heeft mij en DOK Architecten van begin af aan betrokken bij het ontwerp. Door het raster van kolommen van negen bij negen is het Scheringa Museum een heel flexibel gebouw dat gemakkelijk kan worden omgebouwd tot een woonzorggebouw. Ik ben dan ook heel gelukkig met de afloop.”