Opinie

Lampenkapje voor Lotje

Frits Abrahams

Lotje moest gesteriliseerd. Acht maanden oud, het was haar tijd. Misschien had ze wel een keertje zelf moeder willen worden, maar ons, haar bezitters, leek dat niet verstandig. Wat moest je met al die levensblije jonkies? Bovendien, susten we ons geweten, voorkom je met sterilisatie mogelijk baarmoederontsteking of een tumor. In het geval van Lotje was zelfs enige haast geboden. Ze heeft ook gebitsproblemen, maar de behandeling daarvan kon beter ná de sterilisatie plaatsvinden. Zodoende kreeg ze niet eens de kans om krols te worden. Misschien is hitsigheid voor een poes ook geen prettige ervaring, maar dat weten wij niet; de meeste mensen zouden het in ieder geval niet graag missen.

We waren nog bezig onze schuldgevoelens weg te redeneren, toen Lotje tot overmaat van pech enkele dagen na de sterilisatie ziek werd. Ze lag apathisch op de bank, volstrekt ongevoelig voor welke prikkel dan ook. Blijf met jullie poten nou eindelijk eens van me af, leek ze te willen zeggen.

Het weekend was begonnen, daarom konden we niet bij onze eigen dierenarts terecht, maar moesten we omstreeks middernacht naar een spoedkliniek in een buitenwijk. Wie in Amsterdam een taxi bestelt voor een rit met een dier hoort dat erbij te vermelden. De meeste moslims onder de chauffeurs bedanken daarvoor, hoorde ik van de taxicentrale.

Toch is er altijd wel een vriendelijke Marokkaanse Nederlander te vinden die minder scrupules heeft. Onze jonge chauffeur vroeg wat er met Lotje aan de hand was en luisterde aandachtig naar ons antwoord. Toen zei hij: „Ik zag laatst zo’n lief poesje in Marokko dat ik hem zó had willen meenemen.” Hij liet zien hoe hij het diertje met zijn wang had geaaid en keek er in zijn spiegel zo teder bij dat ik achter het plexiglas meteen besloot de fooi aanzienlijk te verhogen.

In zo’n spoedkliniek – dag en nacht open – werken alleen maar engelen, aangesteld en geïnstrueerd door Onze Lieve Heer Zelf. Hun tarieven zijn hoog, maar je krijgt er erg veel dierenliefde voor terug. Buiten ons zicht – corona! – temperatuurden ze Lotje (ruim 40 graden), constateerden ze een infectie, schreven ze antibiotica voor en stuurden ze haar, voorzien van een kapje om haar hals, terug naar ons in de wachtruimte. Het kapje was noodzakelijk om te voorkomen dat ze haar buikwond zou open likken.

Dat hebben we geweten, Lotje vooral. Zo’n kap steekt als een omgekeerde lampenkap wreed omhoog langs het kopje. De kat kan zich daardoor nergens likken of krabben. Ook bij eten en drinken moet ze geholpen worden. Omdat katten gewend zijn zich intensief te wassen, blijven ze het kapje likken in de veronderstelling dat het hun nieuwe vacht is geworden. Ze likken verwoed, maar voelen er nu niks meer bij en de jeuk op hun lijfje blijft. Het oogt zielig, het ís zielig en het blijft zielig. Alleen als ze slapen – wat ze dan ook zo lang mogelijk doen – zijn ze verlost van hun kwelgeest.

Deze helse marteling duurt tien dagen. Al na één nacht wilden wij haar even bevrijden, waarna er een ander probleem ontstond: we kregen het kapje niet meer terug over het tegenspartelende kopje. Dus weer een taxi naar die engelen van de spoedkliniek.

Het is voorbij, eindelijk. We mochten ermee kappen – ik begrijp nu waar die uitdrukking vandaan komt. Lotje leeft nog, wij doen alsof.