Jemenieten die een moskee in Sana’a betreden worden gedesinfecteerd. Rechts: Ook kinderen die wachten op gratis voedsel moeten eerst hun handen laten reinigen.

Foto’s Yahya Arhab/EPA

Interview

‘Het ergste was die keer dat er vlakbij een bom insloeg’

Raghad (12) | scholier uit Jemen Jemen wordt al jaren geteisterd door oorlog. Nu komt daar de coronacrisis bij. De 12-jarige Raghad vertelt wat dit voor haar betekent. „Er zijn nog geen klasgenoten van mij omgekomen maar wel andere leerlingen van de school.”

De 12-jarige Jemenitische Raghad glimlacht verlegen in de camera van de computer als ze de plagen die haar en haar land teisteren nog even samenvat. „Er woedt hier oorlog, er sterven mensen aan corona, mijn school is al maanden dicht en we moeten wegens corona steeds thuisblijven. De parken, waar ik vroeger graag speelde, zijn al maanden dicht. Mijn vriendinnen zie ik nooit meer. Het is oersaai.”

Samen met haar beide zussen en haar moeder moet ze zich in de Jemenitische hoofdstad Sanaa staande houden onder steeds moeilijker omstandigheden. Door de jarenlange oorlog, die gepaard gaat met hevige Saoedische luchtbombardementen op het noorden van Jemen dat in handen is van de Houthi’s, is het toch al arme land het grootste humanitaire crisisgebied ter wereld geworden. Twee derde van de bevolking van dertig miljoen kan niet zonder buitenlandse voedselhulp. En dat was al zo voor het coronavirus toesloeg. Hoewel het officiële aantal besmettingen en doden in Jemen laag ligt, woedt de pandemie er op volle kracht.

„Het is een nachtmerrie voor iedereen. We zijn allemaal heel bang om corona te krijgen”, zegt Raghad verdrietig. „Er zijn al zes familieleden van ons dood. Twee ooms en wat neven en nichten, sommigen waren nog maar in de twintig. We konden niet eens afscheid van ze nemen. Een begrafenis was er niet voor hen. Ook bij ons in de straat zijn er al heel wat mensen aan gestorven. We gaan zo min mogelijk de deur nog uit.”

Het interview werd mogelijk door bemiddeling van Unicef op voorwaarde dat Raghads achternaam en haar exacte verblijfplaats om veiligheidsredenen niet zouden worden genoemd. Ook haar moeder Hanan (34), die Engels en informatietechnologie heeft gestudeerd maar geen baan kan vinden, houdt een oogje in het zeil. Ze zit naast haar dochter, gehuld in een zwart gewaad met een nikab, die nog net de ogen zichtbaar laat. Door openstaande ramen klinkt af en toe getoeter van voorbijrijdende auto’s.

Raghads vader zit in China, waar hij was wegens zijn werk voor een import-exportbedrijf. Door de corona-uitbraak, eerst in China en later ook in Jemen, kon hij niet terugvliegen. „We missen hem erg”, zegt Raghad, die haar nagels rood heeft gelakt. Moeder Hanan vult aan: „Het valt niet mee tegelijk moeder en vader te zijn. Als we eens te weinig geld hadden, regelde mijn man dat gewoonlijk via een lening bij familie of vrienden. Nu moet ik dat doen.”

Nooit vlees

Honger lijden ze niet bij Raghad thuis, nog niet althans. „We hebben elke dag genoeg te eten maar het is wel steeds hetzelfde”, zegt ze, terwijl ze haar roze hoofddoek wat verschikt. „Steeds maar weer brood, rijst en aardappelen. Vlees eten we nooit, dat is veel te duur en groente en fruit ook niet veel.” Wel permitteren ze zich nog mineraalwater uit de supermarkt, vertelt Hanan. Anders ben je aangewezen op water uit tankauto’s van slechte kwaliteit en ben je kwetsbaarder voor ziektes. Voedselhulp krijgen ze niet. Hulporganisaties beperken zich tot armere mensen die in nog grotere nood verkeren, vooral de miljoenen ontheemden.

Raghad (l) en Hanan tijdens het videogesprek.

„Buiten zie ik soms wel kinderen van arme families die heel mager zijn en ook geen huis hebben”, zegt Raghad, die later arts hoopt te worden. „Ze bedelen op straat. Dan voel ik erg veel medelijden met ze en probeer ik me voor te stellen hoe het moet zijn in hun situatie te leven. Als ik kan, probeer ik ze te helpen.”

Ook de oorlog, die steeds weer opflakkert, blijft een grote zorg. Door de strijd is het gezin inmiddels al in zijn vierde woning beland sinds 2015, toen de oorlog escaleerde door de interventie van Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten die de verdreven regering van president Hadi weer in het zadel wilde helpen. „Ons eerste huis lag dicht bij een legerbasis en de vreselijkste herinnering die ik heb was toen er vlakbij een bom in sloeg. Ik was ontzettend bang en ben het huis uit gevlucht maar ik wist eigenlijk niet waar ik naar toe moest rennen.”

Bekijk ook: Conflict en corona in Jemen

Ook een tweede woning bleek weer dicht bij militaire doelwitten te liggen, waardoor ze opnieuw met oorlogsgeweld te maken kregen. „Het geluid van die bombardementen en die vliegtuigen die over kwamen was om je dood te schrikken”, zegt Raghad. Daarop verhuisden ze naar een veiliger plek, maar die was te duur. Nu zitten ze in een klein huis in de stad, waar het iets veiliger is.

De oorlog had ook zijn weerslag op de school, waar Raghad naar toe ging totdat de opmars van het coronavirus dat onmogelijk maakte. „Mijn school zelf is gelukkig nog niet geraakt maar wegens zware bombardementen op de stad werd hij soms voor een paar weken gesloten. Sommige leraren waren er niet, omdat hun huis was geraakt of omdat familieleden waren gedood. Er zijn nog geen klasgenoten van mij omgekomen maar wel sommige andere leerlingen van de school.”

Geen salaris meer

Raghad hoort bij een bevoorrechte groep kinderen die nog onderwijs kregen op een particuliere school. Armere kinderen waren aangewezen op openbare scholen, die vaak al veel langer dicht zijn. Doordat de leerkrachten daarvan maanden achtereen geen salaris hadden ontvangen of slechts een fractie daarvan, kwamen ze na verloop van tijd niet meer opdagen en probeerden ze op andere manieren geld te verdienen.

Maar ook bij Raghad thuis blijft het behelpen. Elektriciteit? Op die vraag slaat Hanan van plezier in haar handen: „Die hebben we hier al jaren niet meer.” Ze krijgen alleen een beetje stroom uit zonnepanelen. Internet hebben ze wel en Raghad studeert af en toe wat Engels online. En ze whatsappt met haar vriendinnen.

Raghad snakt naar het einde van de oorlog en de coronapandemie. Met een gelukzalige glimlach op haar gezicht bij de gedachte, zegt ze: „Als ik mijn vader weer zou kunnen zien, als ik weer met mijn vriendinnen op school zou kunnen praten en eindelijk weer naar een park zou kunnen gaan, dat zou heerlijk zijn.”