Opinie

Heerlijk dorp

Marcel van Roosmalen

Ik verbeeld me niets, maar in Wormer ben ik een bekendheid. Ze fluisteren achter mijn rug, ze kijken in mijn karretje in de Vomar en er was ook een vrouw die van schrik een bloempot uit haar handen liet vallen toen ze me per ongeluk aankeek. Ik wilde haar wel bij haar schouders pakken, om te troosten, maar ik weet inmiddels dat dat niet op prijs wordt gesteld. Ze houden van afstand, al zijn er ook die altijd een lang praatje beginnen en ook een paar die het liefst van dichtbij in mijn gezicht bijten wat ze van me vinden: ‘een eikel’.

Ik ben er nog niet over uit welke groep ik irritanter vind.

Ik heb het er natuurlijk zelf naar gemaakt door in alle media gevraagd en ongevraagd over mijn woonplaats te beginnen. Tijdens de vakantie besloot ik dat ik daarmee maar eens moest stoppen. Zo frequent hoefde ik mijn bedenkingen toch ook niet aan de grote klok te hangen, bovendien zei de vriendin wijs: „Ze weten het nou wel.”

Over Wormer is ook veel goeds te melden. Er wonen ook vriendelijke mensen. Een buurman kwam een stuk ganzenborst in een diepvrieszak brengen, zelfgeschoten. Later kondigde hij aan dat we ook nog een doos met kersen mochten komen halen, die hij had gekregen van andere mensen die hij ook ganzenborst had gegeven. „Als het met de corona onverhoopt toch weer helemaal uit de hand loopt, zitten we hier zo slecht nog niet”, zei ik tegen de vriendin. „Qua voedsel.”

Een andere buurman had een van mijn boeken gekocht en hurkte naast mij in onze zandbak om dat te laten zien. Als ik wilde mocht ik mee naar de wielerbaan, dan kon ik daar voor de lol een stuk over schrijven. En ik was ook gevraagd voor de fanfare, ze zoeken nog een trompet. Ik speel geen instrument en ben dat ook niet van plan, maar het was toch leuk dat ze aan me dachten. Geen reden om daar meteen een grappig verhaal van te maken.

Ze bedoelen het goed, hield ik mezelf voor.

In die stemming fietste ik dinsdag naar de kinderopvang met de jongste dochter. We kwamen zingend aan. Toen ik haar had afgeleverd, trof ik een met emoties geladen dorpsbewoner, een dertiger in een afgeknipte spijkerbroek. Drie klachten: ik had het hek van de speelplaats weer niet goed dichtgedaan, ik had mijn fiets overdwars op de stoep gezet en hij had me op plekken zien fietsen waar dat niet mocht.

„Dat doet hier verder niemand!”, schreeuwde hij.

Ik kreeg niet de kans om iets terug te zeggen. Zijn laatste woorden waren: „Als je een kerel bent, hang je de vuile was van jezelf ook buiten.”

Bij dezen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.