De geest van de gaper

Ewoud Sanders

Woordhoek

Waarom heet de kop die je soms, zij het in afnemende mate, boven apothekers en drogisterijen ziet hangen een gaper? En sinds wanneer kennen wij deze koppen?

Eerst het korte antwoord: waarom de gaper zo heet is niet met zekerheid bekend. De meest waarschijnlijke verklaring is dat een patiënt bij een consult van een apotheker of drogist de tong moest uitsteken voor een diagnose en bij het toedienen van een medicijn. Wijd open mond met uitgestoken tong: dat lijkt op gapen, vandaar gaper. Wat deze verklaring sterke papieren geeft is dat je bij veel gapers pillen op de tong ziet liggen.

Als huisnaam kennen we „de Gapaert” sinds het begin van de vijftiende eeuw, als soortnaam voor een drogisterij of apotheek sinds het eind van de zeventiende eeuw („onzen Gapert in de Spuystraat”).

De oudste herkomstverklaring van gaper is bij mijn weten te vinden in een boek uit 1792 van Gerard van Hasselt. Hij stelde dat je vroeger bij apothekers niet alleen medicijnen kon kopen, maar ook wijn en likeur. „Waerom dan by hen zodanig hoofd uithing tot een teken van vreugde, van een huis, waer men zich onder den wyn vermaeken konde.” Hij beschouwde de gaperskop dus als zinnebeeld van vrolijkheid.

In 1851 en 1852 volgde een discussie over de herkomst van de gaper in het tijdschrift De Navorscher. Hier twee van de zes verklaringen. De gapers dienden als teken dat de winkel ook slaappillen verkocht – gapen als aanloop tot slaap. Tweede verklaring: in de Middeleeuwen leefde in Holland een befaamde drogist die Gaper heette; zijn opvolger hing het „sprekende zinnebeeld van den verstorvenen Gaper” aan de gevel.

U ziet: bij de herkomstverklaring van woorden wordt ook de fantasie graag aangesproken.

„Gapers. Geen uithangteeken heeft zoo zeer de aandacht getrokken als dit”, schreven Jacob van Lennep en Jan ter Gouw in 1868 in hun standaardwerk De uithangteekens. „Vreemdelingen hebben soms gemeend, in die figuren langs de straten het sprekendst bewijs te mogen zien van het flegma der Hollanders. Omdat, beweerden zij, de Hollanders te droog en te koud zijn om te kunnen lachen, en lachen evenwel een behoefte is voor de menschelijke natuur, zoo hebben zij van afstand tot afstand narren-troniën gesteld, opdat het aanschouwen daarvan tot lachen wekken mocht.”

Nadat Van Lennep en Ter Gouw diverse theorieën hebben afgeserveerd komen zij met de verklaring die ik als eerste gaf (tongschouwing en pil erop), zij het dat zij Van Hasselts uitleg niet helemaal terzijde schuiven.

Vorige week verwijderde een Amsterdamse apotheek zijn gaper, omdat de medewerkers zich niet meer „senang” voelden bij de nogal karikaturale afbeelding van, in dit geval, een zwarte man. Er is eerder een gaper verwijderd onder maatschappelijke druk. En wel in 1965 in Amsterdam. Aan de Binnen Bantammerstraat waren toen, in de buurt van een apotheek, veel Chinese gokhuizen gevestigd. Op een gegeven moment werd daar ongewoon veel verloren. „Toen liep er het gerucht”, aldus Het Vrije Volk, „dat een boze geest [...] bezit had genomen van de Oudhollandse gaper aan de gevel van de apotheek De Groot en Latenstein. Met zijn wijd geopende muil zou de geest al het geld der verzamelde spelers opslokken. De buurt rustte niet, eer de apotheker zijn gaper had verwijderd.”

Of het om een witte gaper ging of een ‘gaper van kleur’, weet ik niet; het zal er niet toe hebben gedaan.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.