Koopcontract is niet heilig

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal civiel recht.

Foto Lex van Lieshout/ANP

Tijdens de onderhandelingen over een woning gaan de verkopers akkoord met een eindbod van 625.500 euro. „Ik mag jullie feliciteren”, mailt de makelaar in maart 2018. „Verkopers hebben voor jullie gekozen, dat jullie geen financieringsvoorbehoud hebben, heeft daarbij een grote rol gespeeld.”

Maar bij de notaris gaat het mis. In de koopovereenkomst komt een bedrag van 620.000 euro te staan: 5.500 euro minder dan afgesproken. De koopovereenkomst wordt door de kopers en de verkopers getekend en het huis opgeleverd. De verkopers ontdekken de fout en hun verkoopmakelaar eist het ontbrekende bedrag op. De kopers willen daar niets van weten. Zij wijzen op de notariële leveringsakte die een koopsom van 620.000 euro vermeldt en het feit dat van zo’n akte „dwingende bewijskracht” uitgaat.

De rechtbank Rotterdam ziet dat anders en refereert aan een invloedrijk arrest van de Hoge Raad. Daaruit volgt dat „niet alleen naar de letterlijke tekst” van een overeenkomst moet worden gekeken, maar ook naar wat de betrokken partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In het onderhandelingstraject was 625.500 euro afgesproken. Bovendien gaven de kopers ook een bankgarantie af van 62.550 euro: de gebruikelijke 10 procent. Van de rechter moeten zij alsnog 5.500 euro betalen, plus rente.