Dus, strikt genomen is de boot van je vriendin?

De Golf | Aflevering 5

Met het oog op de zeespiegelstijging kochten Bruno, schrijver, en Loes, academica, een woonschip. Een feuilleton van Afl. 5
Illustratie Olivia Ettema

‘De boot”, zegt Job, de therapeut. „Daar kunnen we het precies nog even over hebben.” Hij kijkt op zijn horloge. „Was dat jouw idee?”

Bruno knikt.

„Ik weet niks van boten”, had Loes gezegd. „En jij ook niet.” „Dat is op te lossen”, had Bruno geantwoord. „Een mens kan dingen leren.” Er zou een hele wereld voor ze opengaan. Het was een kans. Kon ze daar niet een beetje enthousiast over worden? „Over boten?”, vroeg ze. „Over overleven”, had hij geantwoord.

„Het was een góéd idee”, zegt hij tegen Job. „We wonen daar fantastisch. En”, zegt hij, „je kunt er altijd nog ergens mee naartoe. Canada gaan we er niet mee halen, maar Canada is het paradijs niet, ook al denken veel mensen dat. Ze hebben daar gewoon seriemoordenaars, en andere types. Corona is er ook. Op een boot zit je goed, en als de zeespiegel stijgt, stijg je gewoon mee.” Hij lacht.

Job glimlacht mee. Voor het eerst.

Het enige wat Loes wil is hoogleraar worden

Het is niet echt een grap, maar dat vertelt Bruno niet. Er kan een hoop extra brandstof aan boord. En ook pasta, koekjes, kikkererwten, eten in poedervorm, flessen spa blauw. Hij heeft een waterfilter voor als de flessen leeg zijn. Een aggregaat. Vislijnen. Kunstaas. Een buks. Kogeltjes. Zaaigoed. Alles ligt klaar in zijn pakhuisje aan de wal. Als hij zijn vaarbewijs heeft, kunnen ze elk moment alles inladen, de touwen losgooien en gaan.

Voor zijn geestesoog verschijnt Loes, die zegt: „Ik wil helemaal nergens naartoe.” Bruno’s gezicht betrekt. Het enige wat Loes wil is hoogleraar worden. En dat Ollie eerder de Max Havelaar leest dan zijn leeftijdsgenootjes. Elke avond is ze met boekjes in de weer, vast van plan zich door hem te laten verbazen.

„Wil je een foto zien?” Hij houdt Job zijn telefoon voor. „Ik ga ’s avonds wel eens naar buiten, puur om het gele licht uit onze boot te zien stromen. Dan is het een schip dat sentimentele muziek belooft, suddervlees, bollen knoflook, donker bier. Zie je het? En daarna knus in het vooronder.”

„Wat moet dat gekost hebben”, had z’n vader gezegd, toen hij het voor het eerst in zijn volle lengte zag. Later zei hij het weer bij het zien van het ruim, dat nu de woonkamer is, de inbouwkasten, de houten lambrisering, de brede vloerplanken. Zijn vader was binnenschilder, hij wist waar hij over praatte.

„Hebben je boeken succes gehad?” vraagt Job alsof hij zijn gedachten kan raden. „Commercieel gezien?”

„Of ik er geld aan heb verdiend? Aan mijn eerste een beetje. Ik won er prijzen mee. Daarna niet meer. Het is niet zo’n drama dat ik er ongelukkig van geworden ben. Ik krijg tamelijk lovende recensies. Ik klus bij.”

„Maar het schip is strikt genomen van je vriendin?”

Waar komt dat ineens vandaan? Horen hun gesprekken niet over zijn jeugd te gaan? Hij had van alles verwacht, ramen met glas in lood, dieptevragen, gebrom, gegraai in een baard. Geen kale nieuwbouw, geen insinuaties, geen Job van der Zon. Vier keer drie letters, zijn ouders dachten natuurlijk dat dat leuk was.

„Het schip is van ons samen”, zegt hij.