Opinie

Amsterdamse problemen

Frits Abrahams

Het toerisme begint in Amsterdam weer op gang te komen. Ik zag twee weken geleden het eerste karakteristieke teken toen vijf jonge Britten mij naast elkaar tegemoet fietsten op een smalle brug over de Prinsengracht. Ze waren trots op hun tatoeages en hadden hun borst ontbloot terwijl ze een lied uitschreeuwden.

Brallende Britten! Ze bleken nog te bestaan. Brallende Duitsers zijn er trouwens ook, zag ik zaterdagmiddag : dikke jongens in zwarte T-shirts die een vrijgezellenfeest vierden naast een café op de Nieuwezijds Voorburgwal.

Voorlopig is het allemaal goed te verdragen, want ik schat het huidige toerisme in Amsterdam op nog geen 20 procent van wat het geweest is: ruim negen miljoen mensen in 2019. Veel Amsterdammers zouden opgetogen zijn als het zo relatief rustig bleef. Een petitie tegen het massatoerisme kreeg in korte tijd 27.000 ondertekenaars. De initiatiefnemers willen een maximum van twaalf miljoen toeristenovernachtingen per jaar – tegen achttien miljoen vorig jaar. De gemeenteraad moet nu een besluit nemen over het voorstel; wijst men het af, dan ligt de weg naar een referendum open.

Aan burgemeester Halsema zal het niet liggen. Zij zei onlangs: „Ik ben nog geen Amsterdammer tegengekomen die het niet te druk vond in de stad. We moeten veranderen.” Ik betwijfel of het zal lukken. De belangen van het bedrijfsleven, vooral het hotelwezen en de horeca, zijn groot. Zij willen de vruchten plukken van hun grote investeringen.

Als de toeristenstroom als vanouds op gang komt, krijgt het coronavirus weer meer kansen. Nu al dacht ik bij een blik in de drukke Kalverstraat, waar anderhalve meter afstand een illusie is: hier moet het virus van smullen.

Amsterdam heeft meer grote problemen. Nu de bouw van de Noord/Zuidlijn voorbij is, lijkt de stad op andere plekken aan een drastische verbouwing begonnen. Of het nu bij het centraal station is, de Raadhuisstraat, het Kleine-Gartmanplantsoen bij het Leidseplein of de Vijzelstraat – de stad is er veranderd in een immense, eindeloos durende bouwput waar het verkeer omgeleid moet worden en de voetgangers over plankieren strompelen. Wie oud is, zal zich afvragen of hij ooit nog een redelijk gaaf Amsterdam te zien krijgt.

De bouwactiviteiten hebben ook te maken met de alarmerend slechte staat van de kades en bruggen. Een groot deel ervan is na decennialange verwaarlozing aan vervanging toe. „Als we binnen twintig jaar alle problemen willen hebben verholpen, zullen we acht keer zo hard moeten werken als we voorheen deden”, zegt wethouder Dijksma. Twintig jaar! Leuk voor mijn kleinkinderen. Kosten op lange termijn: misschien wel 2 miljard euro.

Hoe kon deze verloedering zich voltrekken zonder dat iemand ingreep? Het lag destijds aan de stadsdelen, schreef Het Parool, die waren verantwoordelijk, maar hadden andere prioriteiten. Welnee, reageerde een boze oud-stadsdeelvoorzitter in een ingezonden brief: bruggen, en het groot onderhoud daarvan, waren de verantwoordelijkheid van de centrale stad. „Nu deze ellende boven tafel komt, moeten er stoepjes schoongeveegd worden”, stelde hij vast.

Ik mag aannemen dat Het Parool minstens twee stadsverslaggevers laat uitzoeken wie hier precies gelijk heeft. Of zouden het centrale stadsbestuur én de stadsdelen boter op het hoofd hebben?