Opinie

‘Waarom mag ik tijdens de vakantie eigenlijk niet werken?’

Marcel van Roosmalen

De vraag kwam zomaar op, als een oprisping zuur na te veel, te vet eten: „Waarom mag ik tijdens de vakantie eigenlijk niet werken?”

Geen antwoord. Natuurlijk niet, niemand reageerde nog op me.

De vakantie was: ik deed niets, ik keek volgens afspraak amper op mijn telefoon, ik volgde de actualiteit niet, ik werd geslagen door mijn kinderen, ik las boeken waar ik nooit in was begonnen en ik fietste op en neer naar het dorpje, Bergen, waar de horeca de kosten van de coronacrisis volledig verhaalt op de mensen die van espresso houden.

We hadden in ons ruilhuis een glazen plafond, waardoor zelfs de illusie dat het buiten even mooi zou worden ons werd onthouden.

De stemming was gelaten.

De kinderen begonnen me spontaan te slaan als ik ook maar in de buurt van de afstandsbediening kwam. Grappig: normaal schreeuwde iedereen om mijn aanwezigheid. Nu ik er fulltime was, wilden ze daar liever niets van merken.

Op de zoveelste dag, ik lag ergens met mezelf op een vloerkleed, de kinderen hadden me net met iets hards op het hoofd geslagen, zei de vriendin opeens dat het voorbij was. Nog geen vijf minuten later begon de zon keihard te schijnen. Ik ben niet snel boos op de natuur, maar dit voelde als een provocatie.

Tassen inpakken – kinderen aankleden – opruimen – terug.

Onze kat Olga was ziek geweest, mijn moeder was teruggeplaatst naar haar eigenlijke woon-zorgcomplex. Er lag een schrijven: we mochten haar weer zien, met mondkapje op anderhalve meter. Haar huis in Velp was bijna verkocht.

Ik nam een slok koffie in de eigen, zonovergoten achtertuin en concludeerde dat ik was uitgerust.

„Ga dan maar lekker werken”, zei de vriendin, „dat wilde je toch zo graag?”

Op zolder wachtte de laptop, mijn beste vriend.

Het maatschappelijke debat was in een week tijd niets opgeschoten, eerder nog verder achteruitgekacheld, de boeren waren ook weer begonnen en ik zag een foto van Trump met een mondkapje waaruit zijn neus stak.

Ik keek naar wat foto’s van mijn ouders, die er nog niet zo lang staan. Hoe meer beelden er opduiken, hoe zekerder ik weet dat ik die mensen nooit gekend heb.

Onder aan de trap stonden ze inmiddels om me te schreeuwen. Het ging ze niet om mij, ze waren gewend aan een lichaam op de grond dat ze met lepels konden afranselen. Misschien dat onze vakantie in Bergen in de hoofden van mijn dochters later wel mythische proporties aanneemt.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.