Opinie

NRC en het Srebrenica-trauma: hadden we erbij kunnen zijn?

De ombudsman

Met alle hang naar journalistiek engagement die je nu hoort onder activisten, zou je bijna geloven dat kranten vroeger stoffige almanakken waren, met louter gortdroog verslag van ‘de feiten’.

Een blik op het dossier dat deze week volop in de aandacht stond, de val van de Bosnische enclave Srebrenica in juli 1995, leert iets heel anders. Op de redactie van NRC Handelsblad leidde die indertijd tot pijnlijke afwegingen en hevige onderlinge discussies over distantie en partij kiezen.

Twee jaar voor ‘Srebrenica’ klaagde op de pagina Opinie redacteur Michael Stein de houding van het Westen aan, als herhaling van „het verraad van München”. Hij oormerkte prijzengeld dat hem was toegekend (5.000 gulden, 2.269 euro) voor het kopen van wapens voor de Bosnische moslims. Twaalf dagen voor de val van de enclave riep verslaggever Alfred van Cleef op tot oorlog en ingrijpen met „minimaal honderdduizend man” door de NAVO. Hij is geen journalistieke activist, laat hij weten, maar schreef vanaf 1992 over de oorlog en beschouwde dit stuk als een afsluiting van zijn verslaggeving ter plekke.

Op de redactie overheerste een meer realistische of sceptische lijn, vertolkt door correspondent Raymond van den Boogaard, die de oorlog vanaf het begin vanaf de grond intensief versloeg. Van den Boogaard schreef per kerende post een kritische repliek op Van Cleef, onder de kop Alles is beter dan partij kiezen en meevechten in Bosnische oorlog.

Maar intussen ging het natuurlijk om de berichtgeving.

Ik vroeg (oud-)redacteuren naar hun herinneringen en kreeg een openhartige mail van Joost van der Vaart, als adjunct destijds belast met het dossier. Ik laat hem uitgebreid aan het woord, omdat hij het dilemma schetst waar de journalistiek zich voor geplaatst zag. Van der Vaart, nu met pensioen, ziet de val van Srebrenica als „een van de grootste fouten die we bij de krant hebben gemaakt”.

Namelijk door „afwezig te zijn op een sleutelmoment in een oorlogsconflict waarbij Nederlandse militairen direct waren betrokken”. Tegelijk, meent hij „kun je zeggen dat het misschien maar goed was ook”. Het risico om om te komen was niet denkbeeldig – en wil je dat als hoofdredactie op je geweten hebben? „Veiligheid of de verdommenis, dat was de keuze”, aldus Van der Vaart. En: „Ik koos voor veiligheid, waardoor ook in mij iets van een Karremans schuilt: de bevelhebber wilde zijn manschappen – en waarschijnlijk zichzelf – niet in gevaar brengen. Ik wilde niet dat een journalist van ons in Bosnië het leven zou laten”.

Na de val reisden vele verslaggevers naar het gebied, zoals Binnenland-redacteuren Coen van Zwol en Ward op den Brouw en Buitenland-redacteur Hans Steketee, eenmaal met Robert van de Roer. Van Zwol arriveerde in juli in het gebied en stuurde een bloedstollende reportage over vluchtelingen in Tuzla. Soms deed hij zich voor als Belg, omdat Nederlanders nu in een kwade reuk stonden. Uit zijn reportage: „De vluchtelingen spreken van verkrachtingen, van mannen die werden verminkt, doodgeknuppeld, opgehangen of doodgestoken.” Zestien jaar later keek Van Zwol terug op zijn ervaringen in een verslag onder de veelzeggende kop Nu hoorden we bij de bad guys.

Doordringen tot Srebrenica toen de stad eenmaal werd belegerd was volgens velen zo goed als onmogelijk en in elk geval zeer gevaarlijk. Maar er speelde ook meer. Op oorlogsverslaggeving was de krant slecht voorbereid. Redacteuren hadden tal van brandhaarden bezocht, maar een full blown oorlog in Europa, vrijwel om de hoek, dat was nieuw.

Van der Vaart: „We hadden niet eens een kogelwerend vest op de redactie.’’ Het moest gekocht worden in een winkel met militaire dumpartikelen in het nabijgelegen winkelcentrum. „Een tamelijk modern exemplaar van aramidevezel.” Ook de kosten speelden mee: verzekeringen en transport naar het oorlogsgebied kostten honderden, soms duizenden dollars per dag, „bedragen die onze begroting ver te boven gingen”.

Daar is lering uit getrokken, ook door het ministerie van Defensie dat verslaggevers nu embedded meeneemt. Redacteuren volgen nu een cursus oorlogsverslaggeving. Maar ook nazorg blijft cruciaal – ook voor correspondenten in ‘veilige’ landen die onverhoeds in een oorlog belanden, zoals de Gaza-oorlogen van Israël.

Na de val bracht NRC een geruchtmakende reconstructie van Frank Westerman, die eerder voor de Volkskrant de enclave had bezocht en nu voor NRC beschreef waarom luchtsteun aan Dutchbat was uitgebleven. Ook die scoop kwam niet zonder slag of stoot in de krant: Westerman herinnert zich protest van redacteuren Buitenland, die kritiek op het stuk hadden en hun handen ervanaf trokken. Het kwam alsnog in de krant, op de voorpagina. Westerman heeft nu vooral lof voor de redactie: „Het moedigst vind ik de kop Gezuiverd door Dutchbat die Folkert Jensma, chef van de zaterdagbijlage, boven mijn stuk zette over het lot van vader, moeder en broer van VN-tolk Hasan Nuhanovic, die alle drie werden vermoord.” Westerman redigeerde onlangs het eigen relaas van Nuhanovic in een boek, De tolk van Srebrenica.

Ook redacteuren schreven hun boeken, soms jaren later: het bekroonde De slag om Srebrenica van Frank Westerman (2018), Zilverstad (2005) van Raymond van den Boogaard en Verloren Wereld (1994, 2014) van Alfred van Cleef.

En Van der Vaart? Of hij de juiste keus maakte, die twijfel blijft ook een kwarteeuw later knagen. „Wat zou het niet hebben gescheeld als we als onafhankelijk medium in Srebrenica aanwezig hadden kunnen zijn. Mogelijk met restricties van Defensie, maar dan nog.”

Daarin schuilt een beroepsopvatting: „Het is de kracht van ons vak: er gaat vrijwel niets boven eigen waarneming.”

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.