Opinie

Nederland kan geld verdienen met zijn staatsschuld

Overheidsfinanciën De behoefte aan veilig geld stallen is enorm. Staatsschuld uitgeven voorziet daarin, en geeft de overheid miljarden te besteden, schrijft . Net als Duitsland moet ook Nederland bijdragen aan een stabiele eurozone.
Illustratie Hajo

De coronacrisis heeft een al langer sluimerende discussie over de staatsschuld op scherp gezet. Het virus heeft de wereld in een recessie gestort, waar de Nederlandse overheid met prijzenswaardige slagvaardigheid op heeft gereageerd. De staatsschuld zal daardoor fors toenemen. Wat moet daar na de crisis mee gebeuren? Die discussie heeft twee kanten. Binnenslands: moet een volgend kabinet wel of niet bezuinigen? En in de Europese Unie: zien wij een verloedering van de financiële discipline, of zou een hogere staatsschuld de EU juist helpen?

Een open discussie over de staatsschuld is nog steeds taboe. De discussie ontaardt snel in bezorgdheid over Italië. Dat is echter vooral een voorwendsel om niet over Nederland te hoeven praten. Met deze zelfingenomenheid doen we onszelf tekort: we laten jaarlijks miljarden liggen en we plaatsten ons in Brussel buitenspel. Er is dus dringend behoefte aan een meer realistische analyse van de rol van staatsschuld.

Het gaat hierbij niet om oude tegenstelling tussen keynesiaanse en neoklassieke economen, of tussen links en rechts, of markt en staat. De heersende mening is dat de beste staatsschuld geen staatsschuld is. Het past niet in ons wereldbeeld dat de Europese staatsschuld in vergelijking tot de Verenigde Staten, Japan en het Verenigd Koninkrijk laag is, of dat staatsschuld ook te laag kan zijn.

Buffers aanhouden

Een analyse van de staatsschuld begint bij de rol van buffers. De coronacrisis maakt ons daarvan extra bewust. Buffers zijn er in soorten en maten. Fysieke buffers, bijvoorbeeld van reserveonderdelen, hebben andere eigenschappen dan financiële buffers. Fysieke buffers kunnen gemakkelijk vergroot. Dat geldt niet voor financiële buffers, want tegenover iedere buffer (een banksaldo, deposito, of staatsobligatie; het zijn verschillende woorden voor hetzelfde) staat onvermijdelijk een even grote schuld van een ander. Jouw spaarsaldo bij de bank is gelijk aan de schuld van de bank aan jou. Buffers en schulden zijn aan elkaar gelijk.

Die conclusie is noch neoklassiek, noch keynesiaans. Het is de ‘Onvermijdelijke Wet van het Dubbel Boekhouden’. Omdat de private sector (bedrijven, gezinnen, banken, pensioenfondsen) per saldo financiële buffers aanhoudt, moet de publieke sector een schuld hebben. Staatsschuld is geen teken van een spilzieke overheid, maar heeft een belangrijke economische functie: het voorziet in de vraag naar private buffers.

De verwarring over financiële buffers werd tijdens de coronacrisis zichtbaar. „Als bedrijven voldoende buffers hadden aangehouden, dan had de overheid de staatsschuld niet hoeven laten oplopen om ze uit de brand te helpen”, zo luidde een populaire redenering. Hogere private buffers vereisen echter een hogere publieke schuld.

De hogere staatsschuld door de coronacrisis leidt tot veel ongerustheid: wanneer moet die worden terugbetaald? Een weloverwogen antwoord gaat in tegen het gezond verstand: nooit.

Zolang de groei hoger is dan de rente, is staatsschuld een verdienmodel

Sterker nog: de overheid (en dus de belastingbetaler) ‘verdient’ nu op staatsschuld. Hoe zit dat? Zoals gezegd heeft staatsschuld een belangrijke functie in het voorzien in de vraag naar private buffers. Daarom kan de overheid de schuldquote (de verhouding tussen staatsschuld en nationaal inkomen, nu ruwweg 50 procent) het beste constant houden. De economie (dat wil zeggen: ons nationaal inkomen) groeit jaarlijks gemiddeld 3 procent (inflatie plus ‘echte’ groei). Dan moet voor een constante verhouding tussen beide ook de staatsschuld met 3 procent groeien. Als de overheid vorig jaar 100 euro aan schuld uitgaf, dan moet zij dit jaar 103 euro (3 procent meer) schuld uitgeven.

Omdat de rente momenteel nul is, kost de aflossing van de schuld van vorig jaar 100 euro. De overheid ‘verdient’ dus 103 euro nieuwe schuld min 100 euro aflossing van de oude schuld is 3 euro per jaar, die zij naar eigen inzicht kan uitgeven. Zolang de groei hoger is dan de rente, is staatsschuld een verdienmodel.

Het is nog vreemder: hoe hoger de staatsschuld, des te meer de overheid ‘verdient’. Als de overheid niet 100 maar 200 euro schuld uitgaf, zou ze niet 3 maar 6 euro verdienen. Als de Nederlandse overheid zou mikken op een constante staatsschuldquote, niet van 50 maar van 80 procent, dan zou zij structureel 10 miljard euro meer ‘rendement’ op haar schuld maken, ieder jaar opnieuw.

Kan de overheid met een hogere schuld eindeloos meer rendement maken? Natuurlijk niet, bomen groeien niet tot in de hemel. Er is een grens aan de staatsschuld. Welke?

Lees ook: Hoe Wopke Hoekstra vast bleef houden aan zijn zelfbedachte fonds

Private sector betaalt verzekeringspremie

Het ‘rendement’ op staatsschuld kun je beschouwen als een verzekeringspremie. De private sector heeft risicovrije buffers nodig. De overheid biedt die aan als staatsschuld, in ruil voor een verzekeringspremie: het surplus van de groei (thans 3 procent) boven de rente (nu 0 procent). De overheid vraagt die verzekeringspremie niet zonder reden: het kan ook tegenzitten, zoals dit jaar, waarin de economie niet groeit, maar krimpt. Gemiddeld is de groei echter hoger dan de rente. De staatsschuld wordt dus begrensd door de vraag naar private buffers. De afgelopen jaren is de vraag naar buffers echter harder gegroeid dan ons nationaal inkomen, vooral omdat pensioenfondsen vanwege de vergrijzing grotere buffers aanhouden. Maar ook de eisen aan de buffers van banken zijn flink aangescherpt. We zijn een dief van onze eigen portemonnee: de overheid kan zonder veel risico meer ‘rendement’ maken door via een hogere staatsschuld in deze behoefte te voorzien.

Deze analyse laat één kwestie buiten beschouwing: in een open economie hoeven private buffers niet gelijk te zijn aan publieke schuld. Het buitenland kan een deel van de staatsschuld op zich nemen. Neem Duitsland. Ook daar bestaat een grote vraag naar private buffers. Toch kan het land een lage staatsschuld aanhouden, omdat een land als Frankrijk bereid is de staatsschuld te leveren om in Duitse vraag naar private buffers te voorzien. Voor beide landen samen geldt weer dat private buffers en publieke schulden aan elkaar gelijk moeten zijn: er is geen Duitsland zonder een Frankrijk. Frankrijk is alleen bereid deze rol te spelen als de rente op die schuld laag is. Vandaar de lage rente in de Eurozone.

Of deze taakverdeling tussen beide landen goed is voor het evenwicht in de Eurozone valt te betwijfelen. Zij is in ieder geval niet goed voor de Duitse belastingbetaler. Waar de Duitse overheid via een hogere staatsschuld geld zou kunnen ‘verdienen’, betaalt de Duitse private sector jaarlijks tientallen miljarden verzekeringspremies aan Frankrijk die de Duitse overheid ook in eigen zak had kunnen steken, allemaal in naam van de ‘schwarze Null’ (een begrotingstekort van nul – begrotingsevenwicht dus).

Hier vergist Nederland zich keer op keer: desintegratie, dat wil Duitsland absoluut niet

Wat geldt voor Duitsland geldt a fortiori voor Nederland. Het vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen is het afgelopen decennium fors toegenomen, grotendeels belegd in risicovrije buffers. Tegelijkertijd heeft de overheid de staatsschuld verlaagd. Henk en Ingrid lopen als belastingbetalers jaarlijks miljarden euro’s aan verzekeringspremies mis.

Het klinkt paradoxaal, maar de stijging van de staatsschuld door de coronacrisis is voor de Duitse en Nederlandse belastingbetaler een geluk bij een ongeluk. Onder de vlag van een crisis die verwacht noch verwijtbaar was, kan het al jaren bestaande probleem van een te lage staatsschuld geruisloos worden opgelost.

In deze context moest de ECB afgelopen decennium haar monetair beleid voeren. De rente staat wereldwijd al dertig jaar onder druk, door de grote vraag naar private buffers. Dat maakte de wettelijke taak van de ECB om de inflatie rond 2 procent te houden bijna onuitvoerbaar. Anders dan Nederland graag zou zien, had de ECB de rente eigenlijk verder moeten verlagen. Dat kan niet omdat de rente niet ver onder nul kan zakken.

Lees ook: ECB-bestuurder tegen Nederland: wees soepeler bij EU-herstelfonds

Onwerkbare begrotingsregels

Het Verdrag van Maastricht heeft de eurozone met onwerkbare regels opgescheept. Het verdrag stelt een maximum aan de staatsschuld van 60 procent. Toen het verdrag gesloten werd was dat maximum misschien adequaat. De problemen van het vergrijzende Japan waren nog niet goed zichtbaar. Nu weten we dat die alleen oplosbaar zijn met een hogere staatsschuld, vanwege de grote vraag naar private buffers in een vergrijzende samenleving.

De ECB heeft dit probleem opgelost langs de rafelranden van haar mandaat. Ze dringt er daarnaast al jaren op aan dat Europese politici dit probleem structureel aanpakken middels een hogere staatsschuld. Voor Duitsland was de electorale lokroep van de ‘schwarze Null’, de mantra dat er niet meer mocht worden uitgegeven dan er binnenkomt, echter te sterk. Zoals bijna alle lidstaten verschool de Duitse politiek zich liever achter de ECB.

Het Duitse Constitutionele Hof heeft in mei de ruimte voor Duitsland om zich achter de ECB te verschuilen ingeperkt. De Duitse politiek moet nu klare wijn schenken: ofwel een hogere staatsschuld, ofwel een disfunctionerende eurozone, met het risico op desintegratie. Hier vergist Nederland zich keer op keer: desintegratie, dat wil Duitsland absoluut niet. Toch heb ik Merkels reactie op Karlsruhe bezorgd afgewacht. De kanselier heeft mijn vertrouwen echter opnieuw niet beschaamd. Binnen twee weken lag er een plan van haar en Macron voor een hogere staatsschuld.

Staatsschuldfobie kost miljarden

Onlangs gaf oud-minister van Financiën Hans Hoogervorst in de Volkskrant zijn visie: de dag des oordeels is nabij. Schuldenaren zullen gestraft worden. Wie geen veilig heenkomen zoekt op de ark van Noach, zal worden meegesleurd in een zondvloed van schuldpapier van de ECB. Zou Hoogervorst bedacht hebben dat private buffers gelijk per definitie zijn aan publieke schulden? Realiseert hij zich dat al tien jaar voor inflatie gewaarschuwd wordt, maar dat de ECB feitelijk worstelt met het omgekeerde en dat de Japanse ervaring suggereert dat dit voorlopig zo blijft?

Een realistische diagnose van staatsschuld is een Nederlands belang. Ten eerste, in eigen land: onze staatsschuldfobie kost ons jaarlijks miljarden. Ten tweede, in Brussel: geen Duitsland zonder een Frankrijk. Een lage Duitse staatsschuld is voor de Duitsers erg duur, maar het is mogelijk, omdat Frankrijk een hogere staatschuld heeft. Desgewenst kan Europa van Frankrijk een Duitsland maken, maar dan moet ter compensatie Duitsland meer op Frankrijk gaan lijken: een hogere Duitse staatsschuld. Hetzelfde geldt voor Nederland. De mogelijke Nederlandse bijdrage aan het coronafonds is veel kleiner dan de gemiste verzekeringspremies door onze lage staatsschuld.

Gelukkig wordt hierover bij De Nederlandse Bank en het ministerie van Financiën nagedacht. Klaas Knot heeft aandacht gevraagd voor ons welbegrepen eigenbelang bij een goed functionerende Eurozone. Wopke Hoekstra’s investeringsfonds is een antwoord op de te lage staatsschuld. Ten aanzien van Nederlands positie in Brussel schiet de politiek echter Kamerbreed tekort. Deze omissie sluit aan bij de steun van een meerderheid van het Nederlandse electoraat, voor het lidmaatschap van de EU, maar ook voor het verzet tegen de voorstellen van Merkel en Macron. Ooit moet een politiek leider uitleggen dat dit een onmogelijke combinatie is.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.