Profiel

‘Mijn stem luistert niet meer naar me’

Afscheid Charis Alexiou, de geliefdste zangeres van Griekenland, is gestopt met zingen, vertelde ze vorige maand. Alexiou brak in de jaren zeventig door, in de tijd dat de Griekse muziekcultuur een grote bloei beleefde.

De Griekse zangeres Charis Alexiou in Nicosia in 2011.
De Griekse zangeres Charis Alexiou in Nicosia in 2011. Foto HASAN MROUE/ AFP

Ze zit in een witte jurk met zwarte bloempjes aan een lange tafel in een taverna tussen de mensen. Op tafel kannen retsina, talloze mezedes maar niemand eet: ze spelen, ze zingen. Zij zingt. Onze Charoula.

Op het YouTube-filmpje is ze jong en aanstekelijk vrolijk, ze zingt uit volle borst.

Op een gegeven moment zie je achter haar een man zo breed als een deur aan komen dansen met sierlijke armbewegingen, even later staat een vrouw op en trekt haar man overeind om te dansen. De vrouw is al niet meer zo jong, ze is stevig, statig, prachtig en verleidelijk zoals ze danst met haar man die ook precies weet wat hij moet doen – dánsen. Een paar zijn.

Het leven spat ervan af en alles en iedereen beweegt op haar stem, de prachtige, volle stem van Charis Alexiou, de geliefdste zangeres van Griekenland. Het zal zo’n beetje 1980 zijn, zij een jaar of dertig.

Nu is ze ermee opgehouden. Begin juni kondigde ze dat aan in een radioprogramma. „Mijn stem luistert niet meer naar me”, zei ze. „Het is beter om te stoppen.” Ze wordt eind dit jaar 70 en ja, eerlijk gezegd, wie hoorde hoe ze een paar jaar geleden zong had misschien ook al wel eens gedacht: moet ze nog wel doorgaan? Bijvoorbeeld op het concert van Giorgos Dalaras, de populairste mannelijke zanger van Griekenland, die haar naar voren haalde – de hele zaal juichen en klappen – om samen te zingen en je dacht: „Hm. Zal ik het toch maar mooi vinden? Het zijn tenslotte wél Dalaras en Alexiou.” Dat is niet helemaal de manier waarop je van muziek geniet.

Dat doe je door naar de verrukkelijke lange Spotify-compilatie te kijken met haar in die witte jurk met zwarte bloemetjes, met die mensen eromheen, door te kijken naar de musici ook. Een oude man speelt sandouri, een liggend snaarinstrument dat aangehamerd wordt, zo onbewogen en geconcentreerd alsof hij sigarenbandjes zit in te plakken en geen acht slaat op de muziek – maar hij ís intussen wel de muziek. Net als de man met het hoedje en de jampotbodem-bril die naast hem viool speelt – ze merken bijna niet dat Griekenlands grootste zangeres bij ze aan tafel zit en onversterkt haar heerlijke stem laat klinken, ze spelen gewoon perfect het ene na het andere lied. Liederen die de andere tafels opgewekt meezingen, of waarbij ze, omdat het zo onnavolgbaar is wat Charoula daar doet, aandachtig luisteren. En als het vrolijk wordt stoten ze hun glazen tegen elkaar en nemen een slokje retsina.

Onzegbaar verdriet

Charis Alexiou, die eigenlijk Chariklia Roupaka heet, brak in de jaren zeventig door, in de tijd dat de Griekse muziekcultuur een grote bloei beleefde. Ze was 22 en maakte met de één jaar oudere Giorgos Dalaras een lp die Klein Azië heette. De plaat zong over wat verloren was gegaan bij de Grote Katastrofe van 1921, toen meer dan een miljoen Grieken uit Klein-Azië en van de Turkse westkust werd verdreven en steden als Smyrna, waar veel Grieken woonden, werden platgebrand. „Smyrna, moeder, staat in brand, ook onze zoon is verbrand.” zong Dalaras. Duizenden kwamen om. „Ons verdriet is onzegbaar.”

In de jaren zeventig had menigeen nog ouders of grootouders die het hadden meegemaakt, ook Alexious familie kwam uit Smyrna. De hele situatie van toen is tot op de dag van vandaag een van de oorzaken van de eeuwige onmin tussen Grieken en Turken. Maar onder verschillende YouTube-opnames van liedjes van Alexiou laten ook veel Turken weten dat ze haar muziek prachtig vinden: „Great !! very good !! I’m listening again!!! I am a Turk and I love Greek music … Hello brothers Greek ….” In 2010 werd zelfs een straat in Izmir, het vroegere Smyrna, naar Alexiou genoemd.

Het is een groot verlies dat ze ermee ophoudt, al moest ze dat wel doen. Maar het is ook een goede reden om haar werk nog maar weer eens terug te luisteren en te horen hoe rijk dat is en hoeveel ‘Grieksheid’ erin zit. Het heimwee, in woord en klank, naar Klein-Azië, of het verdriet van de gastarbeiders van de jaren zestig en zeventig, toen veel Grieken naar Duitsland gingen om te werken en brandend heimwee te hebben. Componisten en tekstschrijvers hebben daar vaak muziek over gemaakt: „Praat me niet meer van reizen”, zong zangeres Vicky Moscholiou op een plaat die Gastarbeiders heet, er zijn liedjes die ‘In de Duitse fabrieken’ heetten, of die de bitterheid van de ballingschap bezingen. Alexiou zong het prachtige ‘Tsivaeri’ een woord voor dat-wat-iemand-het-liefst-is, het kostbaarst. Het wordt hier gebruikt voor de vertrokken zoon: „Ik heb hem zelf weggestuurd”, treurt de moeder.

Klein buiginkje

Zoiets kon ze, Alexiou, maar ook zorgeloos zingen, zoals in die taverna. Al zijn Griekse liederen (‘tragoudia’ het woord ‘tragedie’ ligt niet ver weg) zelden écht zorgeloos. Je hoort een vrolijk deuntje terwijl je op een schip op weg bent naar een eiland, je denkt „Oh Griekenland, oh Alexiou! Heerlijk een lied over zwaluwtjes”, (‘Chronia Chelidonia’) maar zodra je beter luistert, blijkt haar stem weer als altijd nét even een klein buiginkje naar beneden te maken en die zwaluwen zijn jaren die wegvlogen „en waar is het geluk dat jullie ons beloofden?” Altijd heimwee, melancholie, verlangen – en altijd dansen en zingen en iets van het leven maken.

In Griekse liederen, zeker als ze gezongen worden door zo’n stem als die van Alexiou met iets van brons en vanaf haar twintigste de klank van een volwassen vrouw die weet dat het leven niet licht is, maar ook niet iets over te zeuren of te klagen, kunnen dingen gezegd worden die je in andere landen niet snel in populaire liederen zult horen. „Als er een god is, moge je branden in de vlammen, als er een god is, en als er iemand is die van me houdt”. (Uit: ‘Theos an einai’.)

En meer hevigheid en meer geschiedenis is er: de 26-jarige Alexiou zingt een lied van Theodorakis over een Duitse vergeldingsactie in 1944 in Kaisariani, een buurt van Athene. Ze noemt namen van enkele van de 200 mannen die daar neergeschoten zijn. „Jorgos met zijn mooie stem/ met zijn brede schouders/ beschrijf me het laatste ogenblik.” Er volgen meer namen en eigenschappen en steeds het refrein: „Om wie zal ik het eerst huilen, over wie zal ik het eerst zingen.” Het is ongelooflijk indrukwekkend in zijn onopgesmuktheid, ook als je het niet verstaat, maar alleen weet dat het om een razzia gaat.

Lees ook: Vertel me over zijn laatste ogenblik

Zo is het vaker met Alexiou. Je hoeft helemaal geen Grieks te verstaan, je begrijpt zó wel als je naar haar „Alles doet aan je denken” (‘Ola se thimizoun’) luistert dat hier iemand verlaten is. De stem snikt niet, die is donker van verdriet. Hoe ze dat doet, dat even stijgen met haar stem en dan weer naar beneden afbuigen, nooit hees zijn maar fluwelen diepte in haar stem leggen? De begeleiding is een eenvoudige gitaar tot er een instrumentaal tussenspelletje komt, dan hoor je ook even de droge metalige klank van een bouzouki die snel wat golfjes onder het lied legt, ach en het hart golft mee.

Charis Alexiou. Ze zong liederen van alle grote Griekse componisten, ze schreef de laatste decennia haar eigen teksten en muziek, maar ook daar is ze mee opgehouden – „Waarom zou ik dat doen als ik niet meer zing?”

Toch zal haar zang er altijd zijn. Als er een God is en als er iemand van ons houdt.