Opinie

Is Jesse beter dan Thierry? Burgerschapsonderwijs is gevaarlijk

Onderwijsblog Burgerschap gaat over waarden en hoort niet in het curriculum thuis, schrijven Tjip de Jong en Marcel Schmeier. „In een democratie wordt kennis onderwezen zodat kinderen zélf kunnen denken.”
Foto Koen Suyk/ANP

De politiek bemoeit zich steeds meer met de waarden en normen die scholen zouden moeten uitdragen. Sinds 2006 moeten scholen in zogenoemde burgerschapslessen verplicht aandacht besteden aan waarden zoals vrijheid, gelijkwaardigheid en tolerantie. Minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) scherpte de eisen onlangs verder aan.

Daarnaast worden scholen straks in een nieuw leerplan gedwongen om te werken aan persoonsvorming. Dit betekent dat de school niet alleen waarden moet overdragen, maar ook moet werken aan de vorming van het karakter van leerlingen. Hoeveel ruimte laat dit voor scholen om hun vrijheid van onderwijs invulling te geven? En in hoeverre mag de staat zich bemoeien met het vormen van leerlingen?

Lees ook: Van kinderen burgers maken is niet zo simpel

Het verontrust ons dat met de actuele ontwikkelingen het onderwijzen van kennis geleidelijk wordt vervangen door het overdragen van waarden. Dit is een onderschat probleem. Waarden zijn namelijk subjectief, onderhevig aan verandering en op verschillende manieren uit te leggen. Zo vindt iedereen de waarden ‘gelijkwaardigheid’ en ‘vrije meningsuiting’ belangrijk, maar woedt over de precieze invulling ervan een fel maatschappelijk debat.

Om waarden te ontwikkelen over vrijheid, gelijkwaardigheid en tolerantie moeten kinderen eerst kennis hebben over de werking van onze democratie, de scheiding der machten en de grondwet. Waar kinderen voorheen op school leerden over staatsinrichting, veranderde dit geleidelijk in maatschappijleer, waarin behalve kennis ook maatschappelijke problemen werden besproken. Met de komst van burgerschapskunde wordt kennisoverdracht definitief vervangen door waardenonderwijs.

Wat is een ‘goede burger’?

In zijn algemeenheid is de politiek van mening dat kinderen door middel van burgerschapslessen moeten worden opgeleid tot ‘goede burgers’. Maar wat wordt daar precies mee bedoeld? De OESO geeft in de publicatie Social and Emotional Skills (pdf) een handreiking: goede burgers werken samen, hebben vrienden van verschillende achtergronden en zijn kunstzinnig en creatief. Daartegenover zet de OESO kenmerken zoals liever niet in groepen werken, kritisch zijn op immigratie en een behoudende kledingstijl.

Hiermee impliceert de OESO dat een progressief wereldbeeld beter is dan een conservatieve kijk op zaken. Extraverte mensen zijn beter dan introverte persoonlijkheden. Daarmee worden politieke voorkeuren en persoonskenmerken vertaald naar een toetsbaar moreel oordeel. Zijn sommige kinderen dan beter in burgerschap dan andere kinderen? Is Jesse beter dan Thierry? De OESO is gevraagd om mee te kijken met het nieuwe curriculum dat momenteel wordt ontwikkeld. Wij maken ons daar zorgen over.

Lees ook deze checkt van een uitspraak van OESO-directeur Schleicher: ‘Karaktertrek verandert niet meer na jonge leeftijd’

Als burgerschap en persoonsvorming inderdaad zouden worden voorzien van concrete doelen en criteria, dan kan de staat politieke en morele opvattingen opleggen aan kinderen die nog niet in staat zijn om zelf een mening te vormen. Nog zorgelijker is het dat hun persoonlijkheid en gedachten hiermee worden gevormd en gestuurd. Dat moeten we voorkomen.

In een democratie wordt op school kennis onderwezen, zodat kinderen zélf kunnen denken. Geschiedenis, aardrijkskunde en staatsinrichting beschrijven de wereld. Burgerschap beschrijft daarentegen de burger, de mens, het kind. Dat past in een dictatuur die voorschrijft wát de burgers moeten denken en niet in een parlementaire democratie.

Politisering van het curriculum

Burgerschapskunde geeft daarnaast politici, activisten, lobbyclubs, zedenpredikers en belangenbehartigers toegang tot de meningsvorming van beïnvloedbare jonge mensen. Bij het opstellen van het nieuwe curriculum mocht bijvoorbeeld een activistische organisatie zoals Time is Now aanschuiven. En op de website lerenvoormorgen.org bundelen activisten hun krachten om meer invloed te krijgen op het lesprogramma. Zelfs wanneer je het eens bent met de doelen die de genoemde organisaties nastreven, kun je je afvragen hoe wenselijk deze invloed is.

Onderwijssocioloog Frank Furedi is in zijn boek ‘De terugkeer van het gezag’ kritisch over opkomst van burgerschap als nieuw leergebied op scholen. Als onderwijs wordt gebruikt voor het oplossen van maatschappelijke problemen, dan leidt dit volgens hem tot politisering van het curriculum. Als pedagogiek en politiek worden samengevoegd, dan spreken we niet meer van opvoeding, maar van staatsopvoeding of zelfs van indoctrinatie.

Natuurlijk kunnen scholen vanuit hun pedagogische opvatting zelf keuzes maken in hoe ze de lessen inrichten en hoe ze omgaan met bijvoorbeeld sociale diversiteit of pestgedrag. Maar dit is wat ons betreft vooral een vraagstuk voor de leerkrachten en schoolleiders. Opvoeding is altijd een prachtig pedagogisch bijproduct geweest van goed lesgeven, maar het moet niet worden gevangen in doelen van een curriculum.

Lees ook: Wat jonge burgers allemaal moeten weten

Ook de rol van de Onderwijsinspectie wordt ingewikkeld door de politieke drang om burgerschapslessen te verplichten op scholen. De inspecteurs krijgen harde woorden over zich heen als ze zich uitspreken over morele en principiële opvattingen van de scholen die ze moeten beoordelen. En wellicht ook wel terecht: als de overheid via inspecteurs controleert of scholen aan burgerschapsonderwijs op de ‘juiste wijze’ invulling geven, komen de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van onderwijs onder druk te staan.

Zelf een mening vormen

Burgerschap hoort niet in het curriculum thuis. Leer kinderen op school over staatsinrichting, de werking van onze democratie en de scheiding der machten. Met deze kennis kunnen ze zelf een mening vormen over allerlei ethische en morele vraagstukken die ze als volwassene gaan tegenkomen in onze samenleving.

Natuurlijk is het belangrijk om als de klas met elkaar in debat te gaan over spannende maatschappelijke thema’s. Of op werkbezoek te gaan naar een VOC-schip of het Anne Frank Huis. Dit zijn betekenisvolle ervaringen, mits kinderen ook daadwerkelijk de kennis aangereikt krijgen om zich hierover een mening te vormen. Het onderwijzen van waarden in burgerschapslessen is in onze ogen echter een vorm van gedragsmanipulatie. Als kinderen dit ontdekken als ze later volwassen zijn, dan hebben we pas écht iets uit te leggen.

Marcel Schmeier is onderwijsadviseur en bevoegd leerkracht.
Tjip de Jong is zelfstandig onderzoeker, docent en adviseur leren en ontwikkelen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.