Recensie

Recensie

Het kapitalisme blijft nog wel even, in de westerse wereld

Voorspellen Komt het einde van het kapitalisme nu dan echt? In een fascinerende ideeëngeschiedenis boort Francesco Boldizzoni de verwachtingen de grond in.

In de coronacrisis was het weer te horen: het is voorbij met het kapitalisme, het systeem doorstaat deze crisis niet. De afgelopen jaren was de kritiek op het kapitalisme al aangezwollen. En niet alleen uit radicaal-linkse hoek. De bekende Amerikaanse econoom Angus Deaton speculeerde erop dat het kapitalisme een volgende klap mogelijk niet overleeft. Christen-democraat Bert de Vries ageert tegen het „superkapitalisme”. NRC wijdde een serie aan het ‘kapotte kapitalisme’.

Die verwachte eindtijd van het kapitalisme staat in een lange traditie, schrijft politicoloog Francesco Boldizzoni in zijn boek Foretelling the end of capitalism. Het is ook niet voor het eerst dat verwachtingen over een einde van het kapitalisme uit tamelijk onverwachte hoek komen. John Stuart Mill, grondlegger van het liberalisme, mijmerde over een situatie waarin niemand er nog naar streeft rijk te worden. Dat was vooral een morele kritiek. Een meer theoretisch onderbouwde analyse kwam van Karl Marx. Volgens hem zouden de winsten van de kapitalisten op den duur dalen, wat de concurrentie zou versterken. Uiteindelijk zou het proletariaat het kapitalisme ontmantelen.

In de jaren twintig van de vorige eeuw kwamen ideeën op over de samensmelting van socialisme en kapitalisme. Een andere belangrijke stroming wees op de ecologische grenzen die binnen het kapitalisme niet in acht kunnen worden genomen. Weer anderen zagen het jachtige, consumptiegerichte, hedonistische en oppervlakkige karakter van het kapitalisme als een verschijnsel van ongeneeslijke achteruitgang.

Het einde van het kapitalisme beleefde als idee net zo’n conjuncturele ontwikkeling als de markteconomie. Vooral in tijden van crisis kwam het op. Uit die conjunctuur doemen hoofdstromingen op: het kapitalisme implodeert, put zichzelf uit, fuseert met andere systemen of blijkt cultureel onhoudbaar. Wel werden de verwachtingen volgens Boldizzoni in de loop van de tijd voorzichtiger. Het idee de loop van de geschiedenis als ijzeren wet te kennen, is minder populair geworden.

Niet leren van vergissingen

Boldizzoni heeft twee doelen met dit boek. Hij wil weten waarom de verwachtingen over het einde van het kapitalisme niet uitkwamen. Scherper uitgedrukt: waarom leren wetenschappers niet van eerdere vergissingen? Het tweede doel is uit te leggen hoe kapitalisme werkt – waarna hij de verleiding niet kan weerstaan zelf een prognose te geven.

Veel van de redenen waarom de verwachtingen niet werden ingelost, hangen samen met algemene problemen van het toekomstverkennen. De kennis over de menselijke realiteit is heel erg onvolledig en uit wat nu gebeurt, is niet direct af te leiden wat er op volgt.

Boeiender is de verbinding die Boldizzoni legt met het idee van vooruitgang. Dat houdt, simpel gezegd, in dat de toekomst beter wordt door menselijke inspanning. De meeste verwachtingen over het einde van het kapitalisme gaan ervan uit dat de toestand daarna beter wordt. Dat vooruitgangsdenken is zelf utopisch, stelt Boldizzoni. De wens wordt de vader van de gedachte.

Ongelijkheid en individualisme

Pas aan het einde van het boek geeft Boldizzoni zijn eigen definitie van kapitalisme. Dat is laat, want al in de loop van het boek bekruipt de lezer het gevoel dat al die verwachtingen, theorieën en ideeën die hij beschrijft niet altijd over hetzelfde gaan. Boldizzoni komt tot een vrij nauwe definitie: kapitalisme is een economische orde, die uiteraard gericht is op winst maken, én een culturele. Die culturele orde bestaat uit hiërarchie én individualisme. Door de hiërarchie is ongelijkheid een fundament van die cultuur, het individualisme leidt tot een maatschappij waarin mensen primair op hun eigen behoeften gericht zijn. Die mengeling is westers en bestaat alleen in de Atlantische wereld.

Het politiek-economische systeem van, bijvoorbeeld, China is op een andere culturele orde gebaseerd. De Chinese economie wordt wel gedreven door streven naar winst, maar de productiemiddelen zijn voor een groot deel in handen van de staat. Ook Japan is anders, met zijn conglomeraten.

Dat onderscheid tussen het westerse kapitalisme en de varianten daarbuiten maakt het voor Boldizzoni mogelijk om te zeggen dat het kapitalisme in grote delen van de wereld op de terugtocht is. Het is vooral de culturele component die in betekenis afneemt, omdat opkomende machten hun eigenheid benadrukken.

In de westerse wereld blijft het kapitalisme nog wel even, verwacht hij. Een sterkere sociaal-democratische beweging kan de uitwassen daarvan indammen, schrijft Boldizzoni, die zijn tamelijk academische werk eindigt met een deze call to action.

Boldizzoni koppelt analytisch vermogen zo aan betrokkenheid. Hij neemt ideeën serieus, ook al zijn het misvattingen gebleken. In zijn selectie is hij tamelijk streng: uit de recente tijd neemt hij alleen wetenschappelijke werken onder de loep, niet het populairdere werk van ‘postkapitalisten’ als Paul Mason, die geen crisis voorbij laten gaan zonder de doodsklokken van dat verfoeide systeem te luiden. De selectiviteit van Boldizzoni is een beetje jammer, al zijn de mechanismen en denkfouten die hij beschrijft heel herkenbaar. Wie nu nog het einde van het kapitalisme wil verkondigen, doet er goed aan eerst dit boek te lezen.