Ton Boot: „Buiten het veld maakte ik foutjes, was ik niet zo stringent.”

Interview

Oud-basketbalfenomeen Ton Boot: ‘Ik ben zeker niet slechter dan negentig procent van de mensen’

Ton Boot, oud-basketbalcoach Zijn monomane werkwijze is beroemd, maar de mens achter het fenomeen Ton Boot (79) is altijd een mysterie gebleven. „Ik kan er niets aan doen dat jij zo’n softie bent.”

Hij oogt vermoeid, na een leven op de limiet, vol conflicten en successen. Een kwartier voor de afgesproken tijd is Ton Boot binnengelopen in Grand Café Van Gaal in het AZ-stadion, op Nike-sneakers onder een broek met bretels. Hij is altijd te vroeg voor afspraken, zal hij later zeggen.

Hij is gezond, zegt hij tegen de serveerster die hem checkt bij binnenkomst. En, als hij zit: „Ik ben verbaasd dat jullie geïnteresseerd zijn. Maar aan de andere kant ook weer niet.” Vooraf vertelde hij over een boek dat hij schrijft over coaching in de sport, met hulp van zijn goede vriend Toon Gerbrands, algemeen directeur van PSV. Boot, voormalig basketbalcoach, twijfelt of mensen het willen lezen. „Ik ben 79 jaar, zit men daar nog op te wachten?”

Zijn bestaan is altijd geïsoleerd en monomaan geweest. Bijna on-Nederlands was zijn werkwijze als coach. Extreem in alle aspecten, de non-conformist. Hij brak teams volledig af, om ze vervolgens weer op te bouwen: de methode-Boot. Kneden naar zijn ideaal. Spelers werden afgebrand, soms vernederd, waar het team bij stond en terwijl camera’s draaiden. Boot, nu: „Veel coaches kijken of een speler goed is of niet. Ik kijk: is hij veranderbaar?”

Als mantra gold dat je hem, Boot, moest aanstellen om kampioen te worden. Veertien landstitels won hij als coach, met vijf verschillende clubs. Zijn carrière, zijn werkwijze, is uitvoerig beschreven – maar de mens achter het fenomeen blijft een mysterie.

In 2007 nam hij afscheid. Sindsdien houdt hij soms „praatjes” voor geïnteresseerden, onlangs nog voor jeugdspelers van Ajax. En tot begin dit jaar schreef hij een column in De Telegraaf. Een paar minuten na aanvang van het gesprek zegt hij: „Waarom word ik niet op elke coachcursus gevraagd?”

Wat denkt u zelf?

„In ieder geval boei ik twee uur lang, dat weet ik sowieso. Mensen gaan nadenken. Maar ik doe nooit aan pr. Dat boek gaat misschien een groot succes worden, omdat er mensen zijn die de pr voor mij doen. Pr is, en dat doet mij pijn, belangrijker dan kwaliteit.”

Uit zijn borstzak frommelt hij een geel A4’tje met steekwoorden die samenvatten wat hem als coach uniek maakte. Zoals een sabbatical year, dat hij om de zoveel jaar nam om een burn-out te voorkomen. Altijd consequent zijn, is er ook eentje. En: hij had nooit een assistent-trainer.

Waarom niet?

„Mijn span of control was tien of twaalf spelers, dan heb ik in principe geen assistent nodig. De vraag is: waarom heb je wél een assistent nodig? Een assistent moet je volkomen kunnen vertrouwen. Hoeveel mensen kun je vertrouwen in je leven? Twee, drie? Als ik uit mijn dak ga, werkt het contraproductief als een assistent in de kleedkamer zegt: zo bedoelde hij het niet. Terwijl ik het wel zo bedoelde.”

Was u altijd consequent?

„Als speler niet, maar als coach honderd procent.”

U miste een halve finale in uw tijd bij Den Helder, uit bij Weert. Het verhaal is dat u ziek was omdat u in de kroeg had gezeten, maar u zou later hebben gezegd: ik heb iets verkeerds gegeten.

„Ik kan mij dat volkomen niet herinneren.”

Het staat in uw [ongeautoriseerde] biografie Bezeten, waarin het door spelers wordt beaamd.

„Ik ontken dat. Maar dat is een beetje lullig, ontkennen.”

U hechtte er veel waarde aan dat u uw spelers kon vertrouwen. Bent u zelf te vertrouwen?

„Ik heb in mijn leven heus wel gelogen en dergelijke, maar op het veld nooit, daar kan niemand een voorbeeld van geven.”

Bent u een ander mens naast uw werk?

„Buiten het veld ben ik ook redelijk consequent, met een hoog arbeidsethos en het nakomen van afspraken. Maar daar maakte ik foutjes, was ik niet zo stringent.”

Waar denkt u aan, als u dat zegt?

„Ik lieg. Ik bedrieg. Weet ik veel wat allemaal. Ook in hele kleine mate, hoor. Maar dat doe ik wel.”

Hoe bedroog u anderen?

„Ik heb mijn vrouw bedrogen. Is dat niet gemeen? Ze is net overleden, dan komt het nog harder aan. Ik heb nog nooit zoveel verdriet gehad.”

Een week voor het interview liet zijn vrouw Jenny euthanasie plegen, op haar 77ste. Ze leed al sinds haar vijftigste aan de ziekte van Parkinson. De laatste vier jaar lag ze in een verpleeghuis, Boot bezocht haar dagelijks om haar te verzorgen. Ze laat twee dochters na, die ze met Boot kreeg.

Boot woonde als coach vaak in afzondering van zijn gezin, in de stad waar hij werkte, om zich volledig op het basketbal te kunnen richten. Zijn gezin kwam dan wel regelmatig langs. Maar toen ze huwelijksproblemen hadden, leefden zij meerdere jaren helemaal gescheiden, ook tijdens zijn sabbaticals.

Hoe heeft u haar vertrouwen weer herwonnen?

„Ik ben niet [terug] gaan winnen. Dat ging van haar uit. Als ze had gezegd: sodemieter maar op, had ik dat gedaan. Als je fouten maakt, moet je zelf op de blaren zitten. Maar niemand doet dat.”

U wel?

„Tijdens mijn sabbaticals had ik een redelijk salaris omdat ik nog op school werkte, zo’n 3.500 gulden. Ik zei: ik neem 750 gulden, en jij krijgt de rest. Jij moet goed leven, want het is mijn schuld geweest. Woonde ik op een kamertje. Ik denk dat zij zo een deel van het vertrouwen terugkreeg.”

Hoe kijkt u daar op terug?

„Ik drukte niet mijn snor. Ik nam alle verantwoordelijkheid. Dit zeg ik nu niet om het goed te praten. Ze heeft een delier gehad een aantal jaar geleden. En toen kreeg ik het te horen, was ze eerlijk. Het heeft heel diep gezeten. Nu met haar dood is het waarschijnlijk ook een gedeelte wroeging, en spijt. Hoe kan ik iemand die zo goed door het leven is gegaan, zoveel verdriet hebben aangedaan? Ze heeft alles op haar boterham gehad.”

Besefte u in de jaren dat u gescheiden leefde, hoe dat voor hen was?

„Nee. Het waren zuiver egoïstische overwegingen van mijn kant. Ik weet wel dat het diepe impact op mijn vrouw en kinderen heeft gehad. Dat bleek later uit de verhalen, die we vroeger uit de weg gingen. Ze zeiden: pa, vergeven doen we het je sowieso, maar vergeten nooit.”

Heeft u het uzélf kunnen vergeven?

„Ja natuurlijk. De grootste relativering is: ik ben zeker niet slechter dan negentig procent van de mensen.”

Maar is het het allemaal waard geweest?

„Nee, natuurlijk niet. Als je je leven overnieuw kan doen, ben je een lul als je zegt: ik ga het helemaal anders doen. Dat dus niet. Maar dit wel.” Hij tikt met zijn vingers op tafel. „Dit wel. Omdat ik nu bewust ben van het verdriet. Ik ben nu ook minder egoïstisch.”

Op uw leeftijd ligt er meer tijd achter u dan voor u. Denkt u nooit: ik moet eens aan de zelfanalyse?

„Dat is misschien wel zo, maar dat moet je mij niet aan gaan praten. Ik zie er helemaal geen aanleiding toe om te reflecteren, en ik zie het zelfs als nutteloos.”

Vluchtte u voor de situatie thuis?

„Nee. Dat heeft nooit in mijn denken gezeten. Mijn instelling was: het leven ging gewoon verder.”

Boot: „Ik ben zeker niet slechter dan negentig procent van de mensen.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Boot bemoeide zich nauwelijks met de opvoeding. Dat leek hem beter voor zijn gezin, „zonder dat gezeik van mij aan hun kop”. Zijn gezin kwam in de vakantieperiode regelmatig naar hem toe, zoals in Oostende, waar hij midden jaren negentig werkte. En later in Groningen. „Kwamen ze lekker winkelen.

Zijn uw kinderen goed opgevoed?

„Heel goed. Ik zie nu het resultaat, dan moet het daarvoor ook goed geweest zijn. Ik realiseer me nu pas hoe goed mijn vrouw dat heeft gedaan. Ze zei tegen mij: ik deed het gewoon. Dan moet je wel heel goed zijn. Ze dééd het gewoon.”

Wat valt er nu weg?

„Het is zo stil in mij. Begrijp je?” Hij tikt weer even met zijn vingers op tafel. „Ik praat nu met jullie, jullie zien niets aan mij, maar het diepe verdriet blijft. Dat verwerk ik helemaal zelf.”

Hij weegt zijn woorden. „Het is niet dat ik mij niet comfortabel voel nu, maar ik maak mij zorgen of dit wel een leesbaar interview wordt, moet ik u zeggen.”

Boot, kind van de Tweede Wereldoorlog, groeide als tiener op in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Op zijn twaalfde ging hij basketballen, op het pleintje bij de Dongeschool, eindeloos, tot het donker werd. Pas vanaf zijn zestiende zocht hij andere plekken op om te spelen, zoals het Museumplein. „Ik ging ’s ochtends om half zeven trainen. Uit mezelf. Dat heeft met arbeidsethos en een obsessie te maken.”

Zijn vader Frans was loonadministrateur. In het boek Bezeten wordt hij neergezet als een strenge, dominante, veeleisende man, die hoge verwachtingen van zijn zoon had.

Hoe was de band met uw vader?

„Die was niet slecht, maar ook niet goed. In mijn jeugd was ik altijd op mezelf. Mijn vader keek nooit bij een wedstrijd van mij. Ik had eigenlijk nauwelijks een band met hem. Met mijn moeder ook niet. Achteraf heb ik daar ook een beetje spijt van, omdat zij dat wel graag hadden gewild.”

Hoe weet u dat?

„Mijn vader was trots op mij. Dat begreep ik pas later, hij knipte artikelen over mij uit. We praatten er wel eens over. Het is natuurlijk gek als je op zestiende in het nationale team speelt, maar je vader je nog nooit heeft zien spelen.” Hij lacht wat ongemakkelijk.

U zegt: ik kwam niets tekort, maar ik heb mijn ouders wel tekort gedaan.

„Ik vind dat wel. Als zij hunkeren naar mijn liefde, en ik die niet geef, heb ik ze tekort gedaan.”

U had confrontaties met uw vader.

„Een enkele keer, ja. Nu jullie het zeggen: een of twee keer.”

Wel meerdere.

„Het zullen er wel meer geweest zijn.”

In hoeverre heeft die afstandelijke band u gevormd?

„Dat is een hele lastige. Omdat ik ook nooit over mezelf nadenk. Eigenlijk nu voor het eerst, hierover. Misschien heb ik er wel eens over nagedacht, maar dan kom ik niet tot een eenduidig antwoord. En dan stop ik meteen met denken, want wat voor zin heeft het dan?”

In een interview zei u over een van uw kleinkinderen: ‘Ik weet nu dat je ertegen moet praten, dat je het moet betasten en met liefde moet behandelen. Die aandacht heb ik wel gemist. Daarom ben ik zoals ik ben.’

„Ja. Ik zag een keer een documentaire over Japanse baby’s die een deel van hun hersenen misten en blind waren, dat maakte veel indruk op mij. Zij werden elke seconde met liefde behandeld. Op een gegeven moment konden ze weer zien. Dat is mijn antwoord: zo belangrijk is liefde en aanraken.”

Boot was tot midden jaren zeventig de beste basketballer van Nederland. Meervoudig topschutter, de eerste die de grens van honderd interlands doorbrak. Een fanatieke eenling in een sport die in ontwikkeling was. Regelmatig botste hij met zijn amateuristisch ingestelde teamgenoten. Maar ook Boot leefde niet altijd voor zijn sport. Het Amsterdamse nachtleven trok, en de keren dat hij alcohol dronk, deed hij dat met evenveel overgave als dat hij trainde.

Als speler was u flamboyant, maar later werd u een methodische coach. Kwam u daarmee verder af van uw ware ik?

„Nee, ik denk dichterbij. Ik was niet zo flamboyant. Het kwam me een beetje aanwaaien. Ik was bekend en vrienden hadden een grote invloed op mij. In principe was ik heel serieus.”

Bent u nooit doorgeslagen in uw aanpak?

„Natuurlijk niet. Ik kan er niets aan doen dat jij zo’n softie bent. Een lullig antwoord, maar begrijp je wat ik bedoel? De omgeving interesseerde me geen reet. De lieve mensen om mij heen gaven mij niet het signaal dat ik was doorgeslagen. En mijn alter ego gaf dat ook niet.”

Ton Boot in 1981 als bondscoach.

Foto Hollandse Hoogte/ANP

Als coach jogde hij iedere dag een uur, en praatte dan met zijn alter ego. „Die vertrouwde ik, die liegt niet.” Het ging over van alles: problemen met spelers, strategie, trainingen. Zo kwam hij tot inzichten, oplossingen. „Die gesprekken met mezelf had ik nodig, want ik was volkomen asociaal.” Joggen gaat nu niet meer, vanwege zijn gezondheid.

Inmiddels voert u geen gesprekken met uw alter ego meer, maar met geliefden.

„Precies. Mijn dochters staan versteld hoe ik met de kleinkinderen omga [hij heeft er drie]. Het is ook verwennerij. Ik weet ook niet hoe dat komt, het is normaal eigenlijk, maar het is voor het eerst dat ik er aandacht aan besteed.”

U bent een verwenopa?

„Ik ga met ze naar Artis, ze mogen naar de trampoline, ik doe alles met ze. Natuurlijk ben ik Popie Jopie voor hen. Ze komen niets tekort. Ik wil alleen maar zeggen: er komt geen leegte.”

U besteedt meer tijd aan uw kleinkinderen dan vroeger aan uw kinderen?

„Ja, veel meer. Als mijn kinderen dood zouden gaan, zou ik het verschrikkelijkste verdriet hebben. Maar ik denk met de kleinkinderen nog meer. Als je dat opschrijft, begrijpen mensen het niet.”

U kunt het uitleggen.

„Misschien omdat het nog kinderen zijn. De glimlach van een kind, hè. Het kind zijn, de kwetsbaarheid.”

Op jonge leeftijd overleed uw broer Adriaan, door een buikvliesontsteking.

„Het enige dat ik mij herinner is dat ik op twee hoog van het balkon keek en die stoet voorbijkwam. Ik was een jaar of drie, vier, we woonden aan de Sluisstraat in Amsterdam. Ik weet niets van Adri. Adri heette die. Hij was vijf.”

Sprak u erover met uw ouders?

„Nooit. Ik weet wel dat mijn vader veel verdriet had. Die ging altijd naar het graf, op de Oosterbegraafplaats.”

Voelde het alsof er een deken van verdriet over het huis lag?

„Nee. Een aantal jaren geleden had ik een gesprek in mijn oude buurt – en ik ben altijd vroeg met afspraken. Ik wandelde naar het oude Wilhelmina Gasthuis. Ik wist dat hij daar boven opgebaard heeft gelegen. Ik moest er aan denken, met een traan in mijn ogen. Zo jong nog, dat gaat door merg en been. Er was toen nog geen antibiotica. Het gebeurde doodgewoon.”

Boot: „Natuurlijk ben ik Popie Jopie voor mijn kleinkinderen.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Uw andere broer overleed op latere leeftijd. U heeft nog een zus, spreekt u met haar weleens over vroeger?

„Op latere leeftijd heeft zij contact met mij gezocht, ze is twaalf jaar jonger. Het was net als met mijn vader en broer, ze hunkerden naar mijn liefde – die ik ze niet gaf. Met mijn broer heb ik daar wel spijt van. We speelden tegen Den Bosch met Groningen. Het was een van zijn laatste dagen, hij kwam altijd kijken, zo enthousiast. Kwam ik ’m tegen voor de Maaspoort. Waarom heb ik hem niet uitgenodigd in de kleedkamer? Had ik hem zoveel plezier mee gedaan, en de jongens hadden het geaccepteerd. In de hoek daar zitten, en kijken wat er gebeurt. Waarom doe ik dat niet? Ik kon dat niet. Ik moet ook nergens spijt van hebben, je bent zoals je bent. Ik was ook niet lelijk.”

Het lijkt een terugkerend patroon: uw moeite met het geven van liefde.

„Ja.”

Pas nu bij uw kleinkinderen doet u dat. Verrast dat u?

„Jullie stellen hele diepe vragen hoor, waar ik nog nooit over nagedacht heb.”

U bent een intelligente man.

„Ja, maar mijn tegenvraag is: moet ik daarover nadenken? Ik kan er nu geen antwoord op geven, omdat ik er nog nooit over nagedacht heb.”

Bent u daartoe bereid?

„Nee, ik ben gelukkig. Ik heb het, dat weet ik heus wel, ook helemaal niet zo slecht gedaan.”