Halen we onze klimaatdoelen wel zónder biomassa uit hout?

Klimaatdoelen Kritiek op gesubsidieerde biomassa uit hout neemt verder toe. Zijn de klimaatdoelen voor 2030 wel haalbaar zonder die biomassa?

Biomassa speelt nu al een belangrijke rol in het verduurzamen van de energieproductie.
Biomassa speelt nu al een belangrijke rol in het verduurzamen van de energieproductie. Foto Getty

Een vuurtje stoken om je huis te verwarmen. Dat is de beeldspraak die Tweede Kamerlid Matthijs Sienot (D66) onlangs gebruikte om het gebruik van biomassa te bekritiseren. Hij noemt zo’n vuurtje „een gekke situatie”, waar snel een einde aan moet komen.

De woorden van Sienot zijn illustratief voor de snel toegenomen kritiek op het verstoken van houtige biomassa. Dat (afval)hout wordt vooral gebruikt om stroom op te wekken of om woonwijken van warmte te voorzien. D66 en ChristenUnie liepen binnen de coalitie voorop met deze kritiek, maar inmiddels streven ook VVD en CDA ernaar om het subsidiëren van houtige biomassa snel te beëindigen.

Een belangrijke adviseur van het kabinet, de Sociaal-Economische Raad, kwam deze week ook met een kritisch rapport. De SER wil de subsidies voor houtstook eveneens afbouwen, en vindt dat aan het bijmengen van biomassa in autobrandstof ook een einde moet komen.

Via een breed gedeelde motie kregen de vier coalitiepartijen minister Wiebes (Klimaat, VVD) begin deze maand zover dat hij nog dit jaar aangeeft wanneer subsidies voor verwarming op houtige biomassa worden gestaakt. Juist het opstoken van biomassa die uit hout(afval) bestaat, ligt bij veel politici, wetenschappers en publiek gevoelig.

In Nederland zijn tientallen grote installaties en centrales die hout stoken

Van een principieel verschil van opvatting met de Kamer is volgens Wiebes overigens geen sprake. Houtige biomassa inzetten voor bijvoorbeeld warmteproductie noemde hij „maatschappelijk vreemd, thermodynamisch slecht en qua luchtkwaliteit onverstandig. We dienen hier niet eeuwig mee door te gaan”.

Toch is de snel toegenomen kritiek opvallend. Biomassa – allerhande producten van organische oorsprong, van tuinafval en frituurvet tot (afval)hout – speelt wel degelijk een rol in het klimaatakkoord, hoewel de nadruk op efficiënt gebruik ligt. Het akkoord, dat over tien jaar voor een gehalveerde CO2-uitstoot moet zorgen, werd vorig jaar nog met brede steun van de Tweede Kamer door meer dan honderd organisaties gesloten.

Biomassa speelt nu al een belangrijke rol in het verduurzamen van de energieproductie, waarin Nederland in Europa de hekkensluiter is. Van de 8,6 procent die hier vorig jaar duurzaam is geproduceerd, was meer dan de helft afkomstig van biomassa – bijvoorbeeld door bijstook van houtpellets in kolencentrales. Energie uit wind en zon vormde toen nog maar 2,7 procent van de benodigde energie.

De minister mag dan de principiële bezwaren van biomassa delen, hij benadrukte tijdens het Kamerdebat dat in zijn beleid het einddoel van het klimaatbeleid centraal blijft staan. Een duurzame wereld zorgt volgens Wiebes voor een beter leven, „maar de weg erheen is met dilemma’s bezaaid en aan nadelen ontkomen we niet”.

Nu is de vraag hoelang Wiebes de nadelen van biomassa nog accepteert . „We moeten hier [houtige biomassa] vanaf, maar wat is de vervanger? Hoe gaan we dan het doel halen? … Als het doel aan de horizon verdwijnt, staan we hier over tien jaar met z’n allen voor aap.” Hoe Nederland de klimaatdoelen vóór 2030 kan halen zonder biomassa weet nog niemand. Daarom: drie vragen die nodig antwoord behoeven.

1 Is het in 2030 afgelopen met biomassa?

Je zou het wel denken, nu de politieke weerstand zo groot is geworden. Maar de discussie draait voorlopig vooral om twee belangrijke toepassingen van biomassa: grote houtgestookte installaties voor het verwarmen van gebouwen, en de bijstook van houtsnippers in kolencentrales. Beide toepassingen ziet de SER liever verdwijnen. De toezegging, vorige week, van minister Wiebes om nog dit jaar „een uitfaseringsstrategie” te bepalen voor houtstook bedoeld voor verwarming is een duidelijke verschuiving in het beleid.

Het vorig jaar gesloten klimaatakkoord ging uit van „spaarzaam” gebruik daarvan, maar van uitsluiting was geen sprake. Er staan al tientallen grote houtgestookte biomassa-installaties in Nederland: de meeste bij kassen en bedrijven, maar er zijn ook serieuze centrales bij zoals in Purmerend en Utrecht. Veel andere installaties zijn al vergund.

Wiebes’ toezeggingen gaan daar niet snel iets aan veranderen. Voor warmte-installaties waaraan al subsidie is verleend, geldt die gedurende 12 jaar lang. Bovendien wil Wiebes dat het Planbureau voor de Leefomgeving eerst doorrekent of de klimaatdoelen wel haalbaar zijn als er een streep door de houtcentrales gaat.

Over houtsnippers die worden bijgestookt in kolencentrales is de SER het meest kritisch. De vier kolencentrales in Nederland kregen onder het vorige kabinet subsidie om hout bij te stoken. In totaal is aan de drie Duitse eigenaren RWE, Uniper en Onyx maximaal 3,6 miljard euro toegezegd tot 2027.

In het regeerakkoord besloot het kabinet al om geen nieuwe subsidies meer te verlenen, maar de SER wil verder gaan. Bouw de subsidies „zo snel mogelijk” af, adviseert de raad. Als dit betekent dat aan toegezegde subsidies getornd moet worden, compenseer de kolencentrales dan. Maar Wiebes schreef vorige week – vóór het SER-advies uitkwam – dat hij alleen nieuwe subsidies uitsluit.

Politieke toezeggingen zijn er dus nog weinig, maar op de markt is het effect al merkbaar. Zo legde energiebedrijf Vattenfall de voorbereidingen voor een grote warmtecentrale stil tot er meer duidelijkheid is.

2 Dan lossen we het toch zonder hout op?

Het klimaatakkoord van juni 2019 ging er nog van uit dat het gebruik van biomassa toeneemt tot 2030. Alle sectoren gaan voor „extra inzet”. Als het aan de SER ligt, worden de minst noodzakelijke toepassingen afgebouwd. Geen huizen verwarmen met houtsnippers of biogas, geen stroom opwekken met biomassa, geen biobrandstof voor personenauto’s. Er blijft meer ruimte voor sectoren waar biomassa lastig vervangbaar is, zoals de scheep- en luchtvaart, en voor hoge temperaturen in de industrie.

„De puzzel wordt er niet gemakkelijker op”, zegt Bart Strengers van het Planbureau voor de Leefomgeving. Het ministerie wil dat het PBL de komende maanden een advies schrijft over het uitfaseren van grote biomassacentrales bedoeld voor de verwarming van gebouwen.

Op een bierviltje rekent Strengers voor wat het zou betekenen. Nu wordt voor verwarming van gebouwen en kassen in totaal 25 à 30 petajoule (PJ, een energiemaat) aan hout verstookt. Ruim de helft daarvan is voor „sfeerverwarming” thuis, in kachels en open haarden. Die geven veel luchtvervuiling, waarschuwde het PBL vorige maand in een rapport over biomassa, maar die blijven buiten schot.

10 à 15 PJ is voor rekening van grootschalige installaties. Daarvoor wil Wiebes een afbouwplan, terwijl volgens de meest recente Klimaat- en Energieverkenning van het PBL het gebruik het komende decennium juist met 10 PJ toeneemt.

Strengers noemt het „een enorme opgave”, want andere technieken om duurzame warmte te produceren voor gebouwen zijn nog marginaal. Het PBL voorziet dat aardwarmte en ‘aquathermie’ (het winnen van warmte uit oppervlaktewater) tot 2030 kunnen groeien van in totaal minder dan 1 PJ nu naar 5,8 PJ. Als die technieken óók de warmte uit biomassa moeten vervangen, zou de opschaling drie keer zo snel moeten gaan.

Natuurlijk zijn er meer opties. In theorie kunnen bijvoorbeeld veel meer huizen elektrisch verwarmd worden met eigen warmtepompen. Maar in het klimaatakkoord voor 2030 is bij de opschaling van wind- en zonneparken geen rekening gehouden met sterke groei van dat elektriciteitsverbruik. Ook niet, trouwens, met het eventueel vervroegd schrappen van de bijstook van biomassa in kolencentrales, zoals de SER adviseert – die bijstook is met maximaal 25 PJ ook niet gering.

De schoonste oplossing zou natuurlijk zijn om veel meer energie te besparen. Maar ook die besparing ziet Strengers niet gauw versnellen. „We houden in onze prognoses al rekening met isolatie van gebouwen. Bij sommige huizen is meer isoleren lastig. De praktijk is weerbarstig.”

3 Anders gebruiken we toch wat extra Nederlands gas?

Nog twee jaar en dan eindigt in elk geval de aardgasproductie in Groningen. Maar Nederland beschikt over meer gas. In de kleine velden, verspreid over het land en in de Noordzee, wordt ook na 2022 gas gewonnen. Toch ligt niet voor de hand dat de Nederlandse productie de komende jaren stijgt, als alternatief voor biomassa. „Of er genoeg Nederlands gas is, is niet de vraag: dat is er wel”, zegt gasexpert René Peters van TNO. „De vraag is of het voor bedrijven economisch nog aantrekkelijk is om het uit de grond te halen. En of bedrijven het gas mógen produceren. Naar nieuwe velden mag op het land niet meer worden gezocht.”

Zoeken op zee mag nog wel, maar de investeringen lopen snel terug. Die lagen meestal rond de 1 miljard euro, maar zijn nu hard op weg naar nul. Dat is vooral het gevolg van de huidige lage prijzen . „Gas kostte dit voorjaar 4 cent per kuub, mede als gevolg van het grote aanbod van schaliegas. Verder wacht de industrie op een regeling om de investeringskosten deels te mogen aftrekken.”

Jaarlijks gebruiken huishoudens, bedrijven en energiecentrales in Nederland 40 miljard kuub gas. Groningen was in 2019 goed voor ruim 15 miljard en de andere Nederlandse velden voor 14 miljard. „Die productie wordt sowieso minder, met als gevolg dat we meer gaan importeren – vooral uit Rusland. Maar dan wordt er weer meer methaan uitgestoten dan bij Nederlandse productie, waardoor de CO2-uitstoot 20 procent hoger uitkomt”, zegt Peters. Ook gaan we naar verwachting meer schaliegas uit de VS halen. „Tegen de winning daarvan hebben we vanwege de milieugevolgen ook lang geageerd.”

Duurzame alternatieven zijn er wel, maar niet op grote schaal. „Er wordt nu zo’n 300 miljoen kuub biogas geproduceerd – vaak kleinschalig. De ambitie is een productie van 2 miljard kuub in 2030, maar ik betwijfel of dat haalbaar is”, zegt Peters. „Door de lage gasprijs is het lastig het rendabel te krijgen. ”

Biogas wordt onder meer door mestvergisting en bij de verwerking van slib geproduceerd. „Dat is ook een vorm van biomassa, maar daar is minder discussie over.”