Opinie

Graven naar de resten van Johan van Oldenbarnevelt levert niets op

Archeologie De Tweede Kamer moet de tot falen gedoemde zoektocht van minister Van Engelshoven naar de resten van Johan van Oldenbarnevelt stoppen, betogen drie historici.

De onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt, 1619, anoniem, naar Claes Jansz. Visscher (II), 1619
De onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt, 1619, anoniem, naar Claes Jansz. Visscher (II), 1619 Illustratie Rijksmuseum

Minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, D66) wil archeologisch onderzoek laten doen naar de stoffelijke resten van Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619). Maar deze zoektocht schendt Europese regelgeving, en is bovendien gedoemd te mislukken.

Allereerst de bestaande regelgeving: in het Verdrag van Valletta (1992) is afgesproken dat archeologische opgravingen pas mogen plaatsvinden wanneer behoud van erfgoed (bijvoorbeeld botresten) op die plek niet meer mogelijk is.

Dat is bijvoorbeeld het geval bij de aanleg van een nieuwe woonwijk. Deze regel is er niet voor niets. Bij een opgraving wordt de vindlocatie verstoord en gaat de context waarin het erfgoed zich bevindt onherstelbaar verloren. De renovatiewerkzaamheden die in de Hofkapel gepland zijn, hebben geen betrekking op de vloer en de onderliggende grafkelders. Er is dus, wanneer de regels van het verdrag worden gevolgd, geen enkele reden om te gaan graven in de kapel.

De minister heeft hier een oplossing voor gevonden. In een brief aan de Tweede Kamer schrijft ze dat er „op bijzondere wetenschappelijke gronden” gekozen kan worden om toch een archeologische opgraving te starten. Welke deze bijzondere wetenschappelijke gronden zijn, is ons een raadsel.

De zoektocht naar het lichaam van Johan van Oldenbarnevelt heeft zeer weinig kans van slagen. Het is zeker dat Oldenbarnevelt in de Hofkapel is begraven: uit geschreven bronnen blijkt dat hij de dag na zijn executie, om half vijf in de ochtend, in het graf van zijn familie is bijgezet. Maar dat betekent niet dat zijn resten daar nog liggen, want de graven in de Hofkapel zijn in de loop der eeuwen meermalen verstoord en geruimd. Mogelijk is hij zelfs al in de zeventiende eeuw herbegraven.

Al in 1879 bleek dat de plek in de grafkelder waar Oldenbarnevelt zou moeten liggen een puinhoop was. Overal lagen botten en doodshoofden. „Al had men geheel dezen doodenakker willen omwoelen, die arbeid [zou] vruchteloos zijn”, merkte toen de onderzoeker teleurgesteld op.

Sceptisch

Opmerkelijk genoeg zijn deze bedenkingen ook opgenomen in het rapport dat de minister zelf liet opstellen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Daarnaast zijn de archeologen die in het rapport aan het woord komen bijzonder sceptisch over de mogelijkheden tot identificatie van de resten.

Grafkelder van de Hofkerk onder de huidige Eerste Kamer, op een foto uit 1879. foto Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

‘Slagingskans zeer klein’

Want zelfs als Oldenbarnevelts botten nog in de Hofkapel liggen, dan is het vrijwel onmogelijk die te identificeren aangezien er geen dna-profiel bestaat waaraan ze getoetst kunnen worden. De onderzoekers concluderen: „De slagingskans [van vergelijkend dna-onderzoek] is zeer klein”. Zelfs het eigen onderzoek van de minister geeft dus aan dat er geen wetenschappelijke gronden zijn die schending van het Verdrag van Valletta rechtvaardigen.

Hier komt nog bij dat de minister zich primair richt op de Hofkapel als de begraafplaats van Johan van Oldenbarnevelt en zo gemakshalve voorbijgaat aan de resten van andere doden die daar zijn begraven. De Hofkapel is meer dan een mausoleum voor de overleden landsadvocaat. Door de voorgestelde zoektocht worden er vijf eeuwen rijke geschiedenis gereduceerd tot mogelijke bijvangst van de opgravingen.

In het rapport geeft de Rijksdienst zelf ook aan dat volledige opgraving betekent dat oude grafkelders moeten worden verwijderd en eeuwenoude stoffelijke resten uit hun context worden genomen. En dit alles op basis van non-existente wetenschappelijke gronden.

De vraag rest dan welke zwaarwegende reden er zou kunnen zijn om deze werkzaamheden plaats te laten vinden. De Kamerbrief van de minister legt die op pijnlijke wijze bloot. Zij schrijft dat dit project „grote kansen biedt om archeologisch onderzoek en onze nationale geschiedenis aan een breed publiek te presenteren”.

Oldenbarnevelt is inderdaad een van de hoofdrolspelers in de Nederlandse geschiedenis. In de recent gepresenteerde herziene Canon van Nederland is hij zelfs verheven tot icoon van de Nederlandse Republiek. Maar dat betekent niet dat wij zijn resten ook als relikwieën moeten najagen. Er zijn betere en wetenschappelijk urgentere manieren om archeologie en nationale geschiedenis in de schijnwerpers te zetten.

Met de voorgestelde destructie van de Hofkapel worden ruim vijf eeuwen Hollandse geschiedenis verstoord. Ons nationaal erfgoed verwordt tot een symbolisch pr-moment, gebouwd op een niet-bestaand mysterie, voor een minister die verder bar weinig heeft geïnvesteerd in archeologie of geschiedenis.

Wij roepen de Tweede Kamer daarom op deze tot falen gedoemde archeologische expeditie te stoppen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.